CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Vijfde bedrijf — Het vijfde Deel, het vijfde Bedrijf.

neerlandés

Angniet en Koenraat.
Ja wel, durft die scherluyn so veel noch van ons spreken?
Ick sal zyn raat en daat noch lustich an hem wreken;
Want ick heb myn selfs een loose vondt verschaft,
Waar door dat hy met recht van my sal zyn ghestraft.
O menschen datsen stuck! o jammer! och! o leyder!
Och arme jonghelingh! o schelmsche verleyder!
Fy Koenraet, o ghy schalck! ghy hebt dien onbedocht,
Dien eenvoudighe knecht op een vleys-banck gebrocht.

Koenr. — Och lieven Heer! wats dit? Ang. — Myn hart wil myn ontglijen,
En ’t smelt van droefheyt wech, helaas! van medelijen
Over die jonghman, die hem voor een meyt uytgaf;
Want hy van stonden aan ontfanghen sal zyn straf.
Och ick mach’et niet sien, daerom ben ick gheloopen
Wten huys: och! ick sach hem bijnden en knoopen,
Sy leyden hem ter banck volcomen uytghestreckt,
En hebben hem een wijl ghepynicht en ghereckt.
Dat sy hem lubden, och! dat waar noch om te lyen,
Dat liet ick noch toestaan; maar sy wilt gnap afsnijen,
Ghelijck de Turcken doen, ja al sturf hij daar van,
Een ander (seytse) sick mach spiegelen daar an.
Ick heb gheen ander vrees als dats’ hem sal vermoorden.

Koenr. — Ach wat bedruckt ghelaat! wat smartelijcke woorden?
Wat jammerlijcken rouw, stort daar Angniet met smart?
Dat ick de oorsaack ben gevoel ick in myn hart.
Och ick ben een doot man: want dit doemt my te sterven,
Of als een Ballingh-slandts voor Bedelaar te swerven.
Daar komt of watter wil, ick moet haer spreken toe,
Goeden dach Angnietje! wel Sustertje, wel hoe
Klaagh jy dus truerelijck? secht my wat isser gaande?
Wat is u doch gheschiet? of wat hebdy uytstaande
Met yemandt vande Stadt? secht my wien is de man
Diemen so straffen sal, dat daar een ander an
Exempel nemen sal? Ang. — Ghy zyt gheen antwoort waardich
Ghy goetdunckende geck! hoe koomdy so hoovaardich,
En knaaght u niet de worm van wroeghingh in u hart?
Vermits dat ghy hem hebt dien boosen raat gegeven,
Waar door dien Jonghman heeft dit schellemstuck bedreven
Die Jonghman die ghy dorst brenghen voor een wijf,
Dien staat nu in gevaar en prijckel van zijn lijf,
Door u versieringh vals en door u kunstigh lieghen,
Om ons door sulcken treck so leelijck te bedrieghen.

Koenr. — Wien sechdy, Writsert, ha! wat heeft hy toch ghedaan?

Ang. — Wildy dat weten, hoort, ick salt u doen verstaan:
Weet ghy wel dat die Maaght die Roemert ons vergunden
Een Haagsche dochter is van treffelijcke vrunden,
En dat haar broeder is een Koopman seer gheacht?

Koenr. — Neen ick. Ang. — Seecker ’tis waar, die maacht heeft hy verkracht:
Na dat haar broeder heeft van dit gheweldt vernomen,
So is hy veel verstoort tot onsent inghekomen.

Koenr. — Wat heeft hy uytgherecht? Ang. — Hy kreegh hem by de kop
En vluegelden hem stijf, en maakte voorts een strop.

Koenr. — O God! wat wouw hy doen! Ang. — Had myn Vrouw niet gebeden
Hy had hem strax de nues en ooren afgesneden.

Koenr. — Och dat ick nu doof was. Ang. — Nu willen sy den bloet
So straffen alsmen hier de wilde Katers doet.
Ick hebt neit moghen sien, daerom ben ickt ontspronghen.

Koenr. — Wel wien is doch so vroom, so stout, en onbedwonghen,
Dat hy souw durven doen so grooten overdaat?

Ang. — Hoe noemdy dat so groot? Koenr. — So seker, ist niet? jaat
Wat man is so ghestraft die in vuyle Bordeelen
De Hoeren so een pots uyt lusten socht te spelen?

Ang. — Ick weets niet? Koenr. — Angnietje u Vrouw siet watse doet,
Want ’t is myn Meesters soon, een Echt-kint van zyn bloet.

Ang. — Is dat waar? Koenr. — Secht u Vrouwe datse dat niet beginnen,
Wel hey! ben ick oock mal? dat kostje selfs na binnen.

Ang. — Maer Koenraat watje doet, siet watje onderwint,
U yver is te heet, te wulleps en te blint,
En brengt u niet in last om ander lieden saken,
Die ghy doch moghelijck niet beter en sult maken.
En daar hy Writsert nu wat op zyn Jootsch besnijt,
En kreech hy u misschien ghy raackten ’t sootjes quijt:
Want siet myn Jofvrouw denckt en sal hem doen ghelooven,
Dat ghy hem hebt gheraan de Maaght haar eer te rooven.

Koenr. — Wat staat my nu te doen? Wat raat gaat my nu an?
Maar ginder, sien ick recht, so komt den ouden Man,
Myn Meester uyt zyn thuyn, an ’t Regliers hof ghelegen.
Sal ickt hem uyten? neen, ’t is beter noch geswegen:
Ick wilt hem segghen, jaak; het schaat niet, och het leyt
My op myn leen, dat my een straffe wort bereyt:
Maar die ben ick ghemoet geduldich te verdragen,
Als Writsert maar alleen mach werden slechts ontslaghen.

Ang. — Doet wijslijck als een Man, ick gae na binnen, siet;
Vertreckt de goede man hoe ’t alles is gheschiet. Angniet binnen.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Vijfde bedrijf — Het vijfde Deel, Het vierde Bedrijf.Vijfde bedrijf — ’T EERSTE UYTKOMEN. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Vijfde bedrijf — Het vijfde Deel, het vijfde Bedrijf.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-vijfde-bedrijf-het-vijfde-deel-het-vijfde-bedrij--gerbrand-adriaensz-bredero-f38a8e
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Vijfde bedrijf — Het vijfde Deel, het vijfde Bedrijf.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-vijfde-bedrijf-het-vijfde-deel-het-vijfde-bedrij--gerbrand-adriaensz-bredero-f38a8e.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.