Angniet, Frederyck, Geertruy.
Wat inval quam sich stracx verbeelden in myn sinnen
So ernstachtich? om een sulcken vondt te vinnen,
Om van gelyck te doen dien overkomen guyt,
Die ons so dapper heeft met list ghestreken uyt,
En brengt een Jongman hier, in schyn al van een Meysje:
k’Selt hem vergelden we’er, krijgh ick hem maer een reysje.
Fred. — Nu Besje, spoetje wat, en treet wat harder an?
Geert. — Och, och myn lieve kynt! meen gy dat ick wel kan?
Och vaar! ’kheb sulcken dicken buyck, en de biennen
Die binnen ouwt en of, sy willen my niet dienen.
Och doe ick in myn tijt was, doe was icker sulcken ien:
Ick was een Meyt als een paert, ick kon ryen en omsien.
Ick hadt hangden an men luf, en ick konse uyt de mou steken,
Maer nou ist niemendal, och de ouwerdom komt met alle gebreken,
Ick heb men tyt ’ehadt: nou ist jonge luyer buert,
Als jou en jous gelyck, ick sey vlus tuegen onse Guert:
Och vaer rust wat; ick ben so loof, ick macher niemier tuegen.
Fred. — Besje u gedenckt al wat. Geert. — Ja kynt men mag wel huegen
Vande Beniste op-loop hier binnen Amsterdam
Die alderierst met brangkt uyt de Souwt-steech quam,
Door die met siep-gesmeerde krytende naackt-loopers
Dan seker daar binne nouw wel degelijcke luy onghder de Doopers:
Maar Knipperdolling en Jan van Leyen, dat waren twie schalcken,
De tyt die staat eschreven in de nuwe Kerck ande Hanebalcken,
En na datmen dunckt, ’t was in’t jaer van vyfendartigen:
Haddent de wet niet voorsichtich stracx gaen behartigen
’t Souwt slecht ehad hebben: ja myn is al vry wat over ’thooft eloopen
’t Machmen wel ’ehuegen datmen twyntich ayeren plech te koopen
On een stuyver, en een moye vuegel met een juecht om drie groot,
En om een oortje atmen sen buyck vol melck en witte-broot,
En men koft een hielle schoot nuwbacken Wormer Misschuytjes
Om ien blaeuwe ellif pennigh, en men kreeg om negen duytjes
Twie kopjes botter, heer kyns ick hebtje vaar so dick vertelt,
Ja komt nou en reys op de beschuyt-marct, men besteet een hangt vol gelt.
Fed. — Ay Besje treet wat an, ick mach niet langer wachten.
Geert. — Gien ding mitter haast als vloon te vangen, al proper mit drachten
Ick selmen best doen, heer, je vaar was sucken Man,
So ongduechdelijcke goet, dat icketje niet seggen en kan.
Hy was niet hongts-gierich, nog niet verwaant, vermetel;
Alle dommelicke sondachs so waren wy tot jouwent op de warme ketel.
Noch, ick eet so garen ouwe kost, sprenck-vleys, met worst, en jues
Mit Mostert: en een moye Appel-sop, o seecker die smaackt oock niet blues,
Ick mochter so wel, en ’tis oock hiel goe provangde
Vuer myn, en myns gelijcke Ouwe luy songder tangde:
Wat, de Man was so voldoende, hy haddet altijdt so drock,
Nou Giertje (seyd hy) drinckt en reys, dan krijghje waar wat sock,
En dronck ick moye dubbelde Faaro, uyt Prochiaens vaatje, met de Mater en de Pater,
Maer je Vaar wat te overdaedighen genochelycken prater;
Hy vertrock ien hielle Story hoe dat hy jou Moertje het evryt,
In hoe wildt dat hy plech te loopen ruysmuysen in sen tyt,
Hoe dat hy onger sen twien, in hielle rongde dangs, daer de Meysjes an vuersingen,
Al de knechses wech joeghen, in teghen ’er danck mit de Vrysters duer gingen.
Dat mier is: Hoe dat hy Joris smeet dat hem het hooft op een sy hing,
In hoe jum de luy met vingeren na wesen, waer dat hy verby ging
En seyden: o sackeloosjes dat’s de giest die sukken stouten hart het,
Dat hy allien al de Haantje en Katjes vande stat wtte tart het,
Mit duysent sucke sticken. In jou moer die was so rustich van gemoed,
Wanckt ast kermis was, dan koft sy ons Schoon-hoofse Koeck en Poppe-goed:
Ongse Niesje het noch so veel huys-raatje van stoeltjes en van banken,
Wat sal ick mier seggen: Ick heb jou Ouwers seer te bedancken.
Wat pleger jou moer Griet Jans daar en hielle hoope goet in te doen,
Hielle peper-huysjes met suycker-erretten, met Kabbeljaus ooghen, en kappittel-stocken
Dat pleech onse Arent voor klock-spijs, met huydt en hayr in te schocken,
Noch kreeg hy een kolf van Klaasje Buytenaer songder quast, en songder schuer,
Met een walbarcken warp-tol, met een staele pen, en een plaatje daer vuer
Mit een groot Embder, en een Euangely, met een schrijf-boeck van fijn kapitoorye,
Mit een nuwt school-bort, met een kategismus, en met de moye stoorien
Van Fortunates Buersje, van Blancefluer, van Amadis de Gauwelen,
Wat onse jongen en kont niet uytstameren so vuel had hy te wauwelen
An sen vygen, ansen nueten, ansen bockedeflensjes en sulck gebras
Seker het kynt sacher uyt so begrobbelt, dattet mier as wongder was,
Wat stacker een gelt in d’Appelen? een plat-beck, een stooter, een ryer,
Een klimmer, vyf staate stuyvers, dat stack hy in zyn spaer-pot as een vryer:
In as het Kors-tijdt was, dan nooden hy ons op de witte-broots sop,
Heer wat gooter jou Fytje Floris een pot met gulle boter op,
In dan droncke wy de Betouw en wijn so lustich als water,
En alle drie Koningen stuurde zy ons een moye Duevekater:
In jou vaar die was so milt, en so ryaals, dat hy ons songder vragen
Gaf een nieuwe-jaar, met een teerpenningh tueghe de Kopperdagen.
Hy wist wat op de taerlingh liep, o myn! ’t was sulcken geest,
In oock so had hy wel een nachjen by de kalisen vrolijck eweest.
Nou lestent sprack ick hier, hier Tuenis mit ien arm, de draagh vis
Die seyde ooc datter sukken rustigen man noch niet inde hiele Haag is,
So wurp hy over de nagel: hoort iens Frerick ick moetet jou verslaan,
De Man hetmen te ongduechdelijck vuel vrientschappen edaen,
Ja al haddet myn eyge man eweest, hy mochtme niemier edaen hebben,
Het was hum onpersybelijck dat hy onghetroost souw vanmen egaen hebben,
Heer hy hadmen so lief: want ick was niet lelijck in myn jeught,
Ick was het moyste meysje inde buurt (seyden de luy); maar wat en vrueght
Hadde wy alle Vastellaevens tot jouwent, je backten wafel-koeken,
En as ick dan wat op ehaalt was met een mouwe-spelt, dan quam ickje besoeken
Met jou suster, trouwen hoe liepen de kyeren daar heen en weer,
Hoe spuelde wy suycker-noompje, slabber op, slabber neer,
Daer leyt een gouwe penning voorje neer, wy kneppelde de koeckjes,
Hoe ribsakten en hoe stoeyde wy mekaar inde schuyl-hoeckjes?
Hoe moy kon ick singhen Aallemoer wat doeje ande schop?
Hoe quam jou Nooms Kyeren telcke staegh, en seyden al op!
Het was te dubbeld ondiefd, se verwongderden huer dieder by saten,
Sy gavent de hongt, sy stoptent ewech, en vernielde mier asse aten.
Ick heb tot jouwent wel wil ehad, jou huys was myn uythof:
Heer het was so reyn; ’tis jammer, alle goe benieren raken of:
As wy tot jouwent te gast waren, ja vaar sneet ghien stiefvaars sticken,
Seker hy slacht myn, ick houw niet vande kleiner slickermicken:
Myn Maagh was altijts so graagh, ick voelden selde gronckt,
Of men Buyck stonckt lustigh op de liest, ick mien moytejs ronckt,
Ick weet niet dat ick myn leven soeter of geruster at.
Fred. — Ick heb daar nu genoech of, praatme van myn Suster wat.
Geert. — Jou Suster Katrijntje die is over ’tvonght ghehouwen en ghedoopt
Van onse Heer Bestoor, hoe hiet hy nu oock? zyn naam loopt
Verby me monckt: dat alliens; s’is van aansicht wat schotich
En tusschen ’tblanck en ’tbruyn, maar s’is een weynich sprotich.
Ick hebber so menichmaal ebakert, en traertje me espuelt by de kaars,
Wat ick macher mier as hongdertmaal esoent hebben voor haer naars.
Sy het ien maeltjen in huer neck, daar is sy me eboren,
En sy het twie roo vlackjes an huer voorhooft, recht van vooren,
In huer kleyne slincker toontjes, die legghen op menkaar,
Ick souwse wel kennen al wasset over hongdert jaar.
Fred. — Al watse seyt dats waar, ay Minnetje so gaat voort.
Ang. — Wel Freed’rijck hebdy nu ’t recht bescheyt ghehoort?
Kundy nu uyt ’thooft den twijffel al wat sluyten?
Fred. — Sy kentse, en sy noemt de Teykens my van buyten.
Ang. — Sekers dat doet my wel, ick ben weet niet hoe,
Want ick u Suster draagh een goet genoegen toe.
Ay lieve, gaat toch in, ’tis al een wijl geleden
Dat u myn Vrouw verwacht, gelieft u in te treden.
Daer is de Vagebonckt, ay siet eens hoe hy treet,
Hoe parmantich, hoe prat, of hy’t selver wel weet
Hoe kost’lijck dat hy ’t maackt? hebje van al u daghen
Sulck dray-aarsen gesien? ick kant niet wel verdraghen.
Hoe fackseert hy die kraagh, hoe versolt hy die muts:
O wat een speldekoker! gants oortjes datsen puts
Wel hoe dus wiltweyich? hy slingert met zyn Mantel
Of hy wilt was, ay siet, om Godswil wat ghetrantel?
Weet hy wel wat hy wil? ja wel ick arme geck,
Wat laat ick my duncken? ick wet ick u een treck
Sal spelen die hans hiet: wilt my maar eens slagen,
Ick sal u bylo een vervaert aers-gat anjagen.
Ick gae na binnen toe alleenich tot dien endt,
Op dat ick seker weet of tMeysjen is bekent;
En dan sal ick daer nae in allerley mannieren,
Om hem te strijcken uyt, en schalckheyt versieren.