De Capiteyn Baustruldes.
’k Heb sedert myn vertreck uyt Polen soo gereen,
Gereyst, gerost, gerunt door wegen, bergen, steen,
En dach noch nacht gerust, maar naarstich doorgetogen,
Op hope of ick souw te vinden komen mogen
Myn heer de Casteleyn van ’t Posnanische slot,
Vermits het machtige en dwingende gebodt
Van de Prins en Palsgraaf van ’t landt van Walachyen
Sijn Vader, die my dwang op dese tocht te tyen,
Om dit packetje flux te brengen aan zijn soon,
Den armen Prince, die uyt vreese sich ter woon
In ongewoone dienst vrywillich heeft gegeven
En slijt en slaverny ’t Keurvorstelijcke leven.
Den eedlen Heere dien een minder Heer als hy,
Hier binnen in Lyons, tot eenen Carponny
Banckhouder van de Stadt, daar hy om te verbloemen
Sijn Princelijcke naam, Ascagnes hem laat noemen:
En macht daar met gedult het eynde van zyn druck
En van zyn ballinckschap en spytich ongeluck.
Maar houwt! siet hier het huys daar men my sey’d voor desen
Dat sich de Prins onthoudt (laas!) in het knechtsche wesen.
De deuren staan op. hou! niemant komt voor den dach,
Noch niemant antwoort my. ich hoor een swaar geklach.
’Tis best dat ick mijn gang daar lijslijck ga na vlijen.
Wat deerlijck schouspel! ach! ick smelt van medelijden.
Maar is het oock een droom? of is het oock een schijn
’Tis leven in der daat, dat moet waerachtich zyn.
Hier staat een Edelman kranckhoofdich en gewapent,
Daar leggen twee gedoot of zijn ten minsten slapendt,
Het sy dan een van twee, gins sit een schoone maacht
Die met een groot misbaar ellendich schreyt en klaacht.
Wel aan, ick ben gemoet den Elinck an te spreken.
’k Sal met een heusche groet zyn dulle gramschap breken
En vragen hem met een na tyding en bescheet,
’Tis moog’lijck dat hy van mijn Heer de Slot voocht weet.