Meester Hans de Apteker, en de Vader alleen uyt.
Ick weet niet wat mijn Heer Carpony heeft gedacht
Te doen met dat fenijn daar hy om sont te nacht
Door Leckerbeetje, die geen rust en kan gedoogen.
Mijn jongen met de vaack noch hallif in zijn oogen
Die heeft hem wel vertast en gaf hem juyst twee loot
Van Mandragora fijn, die slapen doet als doot.
Het welck my niet en rouwt, want wie weet tot wat ende
Dat hy’t gebruycken wouw. ’ten waar dat ick hem kende
Voor degelijck en vroom, ick souw voor wis vermoen,
Dat hy daar yemant me gesocht had te verdoen.
Ick moet hem vragen eens, waar toe dat hy ’t liet halen,
Hier staat hy al gelaarst en doet zijn paart vast salen
Goe Vader goeden dach, waar heen dus vroech, dus snel?
Carpo. — Ick treck eens op mijn lant, ick heb nu haast, vaart wel.
Apteker. — Vertoeft een weynichjen, ’k heb wat met u te slechten.
Wat wouwt ghy doch te nacht met dat slaapkruyt uytrechten
Daar ghy om sont so laat? Carp. — Wel hoe? ist geen fenijn?
Apteker. — Neen ’t Heere, doch de knecht die eyschten ’t wel van mijn,
Maar ick heb mijn versint alwillens om te missen
Niet uyt onwetenheyt, gelijck men licht souw gissen.
Want siet het vil mijn in, houwt mijn ten besten vrunt,
Dat ghy yet quaats te doen op yemant hadt gemunt
So mach het toch geen noot, al waar ’t al ingenomen,
Ick kan de lieden stracx wel weder doen bekomen
Met dese bus met salf en op dat ghy’t gelooft,
Sot strijckt haar met dit smeer in ’t slapen van haar hooft.
Sy sullen voort opstaan, ’t sy beesten of’t sy menschen.
Carp. — Ick schonck u al het geen dat ghy van mijn souwt wenschen,
Al waar ’t mijn halve goet, al wasset oock noch meer,
Kont ghy mijn dese twee in ’t leven brengen weer.
Aptek. — ’t Waar jammer en ’t waar scha dat dese jongelingen
So vroech en voor haar tijdt de snelle doot ontfingen.
Siet daar me ick begin, eerst aan u kint terstont.
Caro. — O wonder overgroot! mijn dochter wert gesont
En staat op van de doot, dies moet ick Heer u loven,
Dan doch u groote kracht gaat ver mijn danck te boven.