CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Vierde handelingh — VIERDE HANDELINGH.

neerlandés

Kloridon. —

Ach albesiende Goon, die door u mogentheden
Onsichtbaarlijck bestierd de landen ende steden!
In wiens verholen boeck geschilderd is’t geval
Dat in dit losse rond den mensch bejeg’nen sal:
Wat staat daarin van mijn en mijn geval beschreven?
Of sal ick niet als ramp op dese werld beleven?
’t Schijnd ja: want wat ick doe, of waer ick henen gae,
Het ong’luck volght mijn staegh ghelijck mijn schaduw’ nae.
Ick swem in pijn en rou, ick baed mijnin verdrieten,
Mijn oogen puylen uyt, de bracke tranen vlieten
By dese wangen neer, gelijck een souten stroom.
O Goden! matight eens mijn pijn met redens toom.
Licht-voetige Fortuyn, hoe wanckel zijn u staten!
Hoe weinigh magh een mensch sich op u gonst verlaten!
Dat speur ick inder daed, dat voel ick selfs in mijn,
Die nu een kaets-bal moet van u genuchten zijn.
Ha lichte Angeniet! die eertijts tot u minne
(Gelijck een zeyl-steen) trockt mijn ongebonde sinnen,
Door den gemaeckten schijn van u verliefd gelaat,
Hoe komt dt ghy mijn nu dus klackeloos verlaat?
Waarin? waar aen? waar door gingh ick mijn oyt te buyten?
Wat pord u, om mijn liefd uyt u gemoed te sluyten?
Heb ick u niet gevierd, gediend als een Goddin?
Of ergens als aen u geofferd mijne min?
Hebt ghy myn trouwigheyd nu niet twee volle jaren,
Volkomen, onvervalscht en sonder vleck, ervaren?
Heb ick mijn liefd niet van een yeder af-geleyd,
En die alleen op u gegrond-vest en geheyd?
Ghy waert mijn vreughd, mijn al, hier was het dat ghy woonde,
Het welck ghy uyterlijck oock weer van mijn betoonde.
Maer lacy! d’uyt-komst wijst my aen de valsch ontrouw
Van u, O Crocodil en eer-vergeten Vrouw.
Wast hier niet dat ghy swoerd met tranen in u oogen,
By al wat leven had, jae by de blauwe bogen
En by de Goden selfs, dat eer de donder dy
Verpletten sou, eer dat ghy soud verlaten my?
Waar blijft u toesagh nu? waar ’t kracht van uwe eden,
U eden segh ick, daar met ghy my aengestreden
En toegesworen hebt so dickwils, datter in
U min noch valscheyd was, noch dubbelheyd van sin,
Maar dat ghy mijn alleen gekofferd en besloten
Had in u suyver hart, daar mijn niet uyt sou stoten
De schat van d’heele werld, noch nijdigheyd noch konst
Van klappers sonder ziel; jae dat ghy selfs d’ongonst
Van uwe ouders niet soud schreumen te verwecken,
Als ghy maar mijne min en gonst daar door mocht trecken.
O als ick u op-treed (door ’t komen en het gaan
Van d’oude Endimyon) dat ghy my soud verraan,
En endelijck sijn min soud in u harte plaetsen,
Hoe wist ghy mijn die bal stracx weder toe te kaetsen!
Hoe seer verachten ghy dien af-geleefden geck!
En noemden hem een uyl, een knorre-pot, een wreck
Een lichaem sonder lust, een pijn-banck van u sinnen,
Dien ghy in eeuwigheyd niet kond noch wilde minnen;
Maar ick wast al in al, ick was hy, die u ziel
Vermaakten, en alleen hart-grondelijck beviel:
Hem hield ghy maar alleen om and’re te beletten!
Om als een molick in de Karse-boom te setten,
Op dat ghy u daar door mocht velen aan u zy,
En maken u alleen met mijne minne vrolijck.
En nu, nu neemt ghy tot u man dien selfden molick!
Nu sult ghy in u arm lief-kosen alle nacht
Dien suffert, dien ghy hebt so schrickelijck veracht!
Dien bleeckten magher-kaack! en ick sal moeten kiesen,
In plaatse van u min, een hoedt van geele biesen.
O Goden wat ick hoor! o Hemel wat gheschiet
Op dese werrelts kruyn (door u toe-latingh) niet!
Wie sal voortaan op ’t woordt der Vrouwen mogen bouwen,
Die hare mont in’t hart, vol duyvelsch valscheyt, houwen,
En ’t hart noyt in de mont? g’lijck my van Angeniet
Ghebeurt is, die haar soo schoon voor mijn oogh gheliet,
En heeft niet eens ghedacht het gheen sy heeft ghesproken;
Maar trou, met eed bevest, meyneedighlijck ghebroken,
Veel lichter als het lichtst dat men ter werrelt vindt,
Ja lichter als een pluym ghedreven van de windt,
Doch was sy doe soo licht, licht is sy noch ghebleven,
Waarom sou sy hem dan niet we’er soo licht begheven
Als sy mijn heeft ghedaan? dat hoop ick sal gheschie’n,
En dat ick noch de wraack sal van haar ontrou sien:
Ick heb een oude Vrou (beslepen in de reden)
Met gheldt daartoe bekocht en vriendelijck ghebeden
Haar alder-hooghste vlijt met list te wenden aan,
Om dese We’er-haan we’er te locken om te slaan,
En komt die haar te spraack, ’t sal moogh’lijck wel gheschieden,
Want sy haar laghen sal seer swarelijck ontvlieden,
Sy is te wel bespraackt, en wat een oude Vrouw
Of wat een Paap niet wel te weghe brenghen sou,
Sou oock de Duyvel nau (soo ’t spreeck-woordt seyt) versinnen:
Dies hoop ick hare gonst door dese list te winnen:
En daar op stel ick mijn gherust, tot op de nacht,
Wanneer ick hare komst en antwoordt we’er verwacht.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Vierde Bedrijf — Tweede uytkomen of Bedrijf.Vijfde Bedrijf — De vierde uytkomst, in ’t vijfde deel. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Vierde handelingh — VIERDE HANDELINGH.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-vierde-handelingh-vierde-handelingh--gerbrand-adriaensz-bredero-bfea4b
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Vierde handelingh — VIERDE HANDELINGH.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-vierde-handelingh-vierde-handelingh--gerbrand-adriaensz-bredero-bfea4b.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.