Ascagnes, Lucelle, Carponi, Leckerbeetje.
Wel aan mijn lieve helft, dat wy geen tijt verspillen
Met sloffen reuckeloos, maar ons vereende willen
Bevestigen met doen, en nemen wat geneucht
In’t speelhof van de lust en houwelijxsche vreucht.
Ick sal u wijngaart zijn, die woeckrend’ u sal geven
Voor een verdrietig’ uur een salich lustich leven.
Laat ons gaan plucken tsaam de soetste vruchten, daar
De Liefde mede kroont haar gunstichste dienaar.
Lucelle — Och mijn genegenheyt! hoe ben ick dus geluckich,
En krijch soo blyden loon nu in mijn minne druckich?
Mijn hartje klopt en slaat: ick ben ick weet niet hoe,
Ick geef mij selven op, en u de zege toe.
Doch evenwel mijn lief weest altoos toch gedachtich
Het woort getrouw en stil. Carpo — Ick sterf, ick sterf waerachtich.
Ick wort kranckhoofdich. och! ick beef, ick schud, ick schrick
Door ’t vreesselijck gesicht. maar raas ick? of sien ick?
Ick sien Ascagnes is by Lucelle gheleghen.
Och of de Goden nu afsonden eene regen
Van solpher, peck en vier, daar dees godloose twee
Mocht van der aarden of geblixemt worden mee.
Breeckt daatelijck de poort, slaat doot, en wilt niet schromen,
Op datse door de vlucht niet vande kamer komen.