CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Vierde bedrijf — ’t Vijfde uytkomen, vant vierde Deel.

neerlandés

Frederyck.
Stae vast als een Man, so: ick heb seecker wel stro-bienen,
Ick tre sulcke kruys-treen, wel hey! springe de stienen
Overeynt? hoe ist hier so doncker? of ist myn oogen schult dat ick dwaal?
After in myn kap, margen weerkomen, ja alst is Moyaal
Wat een eereylijcke Juffer, wat een dappere Joncker!
Hoe nouw! dats dollemans praat, ick ben geen fraey droncker.
Daer sinder, niemes te na esproken, al beter inde Stadt,
Die een vaan met een toogh drincken, en in een nacht een hallifvat,
Ick sie’er daar wel een diel, maar ick selse niet noemen,
Die voor een frayicheyt huer beestich drincken beroemen:
Wat dunckje gemannen, dattet gheen rustighe baasen zyn
Die onder hyn drien, op een sitten, droncken twintich kannen wijn?
Ja seker sulcke zynder al, diet huer wel hartich souden belghen
Dat sy de Oostersche kop met Pomersche sluerip souwen kunnen uytswelchen,
Dat is by gedt geen kinder-werk, het is een mannelijcke daat:
Wat ick houw noch vuel van en man die hem op den dronck verstaat,
En stadich daar by blijft, en hem niet en laat verguysen noch verbluffen:
Al ben ick maar een slecht Burgher, ick souw noch voor geen Haarlemmer suffen
Om d’eer van Amsterdam, daar souw ick al vry wat om doen,
Al souw ick een water-galletje te veynster uytwerpen, of moytjes in myn schoen:
Neen ick gaf het noch gheen kamp, dat hy myn braveerden of trosten,
Al souwt noch, sie daer, een gelach van vyfentwintich guldens kosten,
Wat rydt myn dat gladde speck, ick houwt seecker met de koeck
En alsment seggen mocht, de koeck is ’tspeck nou al ver te kloeck:
Al mienen de droogers dat sy allienich ’tventje bennen,
Wy hebben hier oock noch volck die lustich drincken kennen.
Dat bleeck wel an dat uytgelesen vaandel vanden Dam,
Dat met sulcken grooten eer van ’t trotsche Wtrecht quam,
Ghelijck als onse maats met groote smaack vertellen:
Siet daarom wy Swijght Wtert, voor onse Doele stellen.
Wat, onse volck, dat is volck, sy blyven even fris:
Het wel drincken is een kunst die elck niet egeven is.
So ick in huys quam daar sy an tafel waren geseten,
Sy noode myn alle bey, wel ick gingh daar sitten eten
Uyt een goethart, ’t was telckers weer an nou vryer eet wat:
Maar die gesontheyt van zijn Excellency! o die weet wat.
Het was by get sulcken kellick met nuwe Spaensche Moskedel,
Ick roock , ick proefde, ick dronckse, o myn het smaakte so wel!
Dan wast met een beniste boortje, en dan met een Rondeeltje,
Dan de Santé vande Matres, dan een klaverblaatje met een steeltje,
Dan konfloribus, dan met een oochje, en dan met een Snaers,
Stoot die Beker niet om vryer, wat so! veeght dt kynt zyn naers,
Onthouwtje natuur niet: schiet inje rop, prop inje darmen.
Och, docht ick, hoe weynich so dencken wy nu om den Armen,
Die oudt en doof, en slap, en sieck, en suchtich zijn
Hoe souwen die snacken, hadden sy een kroesje wijn?
En men ken hier op een Burghers-maeltijdt wel so veel verteeren,
Daarmen ’t ouwde Mannen Gasthuys me sou konnen stofferen.
En alsmen inde Kerck, of voor yemants duer schelt en luyt,
Dan geven dese slempers wel een God helpje, of een oortje, of een duyt
Men mach wel vrolijck zyn: maar wilmen Krist’lijck leven,
Men souwse noon te gast die niet weder kunnen gheven.
Of gafmen een Bancket, men hoorde ’toverschot
Te deelen hier en daar, den armen om Godt.
Met nam den Hopman drie roemers in zyn handen, en twee in zyn armen.
Avous duytsch-bloet, seydy, op ’twelvaren vanden Prins van Parmen,
Hy veeghdese louter uyt, en maacktese boven dicht:
En trouwen, ick oock, gants lichters myn kop is so licht,
Ick voeldent eerst niet, so ick noch ande tafel sat:
Ick wasser [niet] arch op, mits dat ick somwijls een wafel at,
Maar doe ick inde lucht quam en wouw na huys toe gaan,
Ick suysebolden en ick kon op myn biennen niet staan;
’tVerstant wasse wech, ick knickebienden en bleef roncken,
Ick heb al een poos eslaepen, en noch ben ick moytjes droncken.

Ang. — Waar mach myn Vrouw zyn? Fred. — Angnietje! maar wat sin gy een tas,
Gy bint nou wel hellifte goelicker as gy tangsjens was:
Komt hier gy katte-quaatje! gaat mitmen om en langetje:
Gy Hagedisje, gy Addertje, gy Serpentje, gy Slangetje.

Ang. — Nu Frederijck staat stil, het! gy bint wel goet soens,
Heer, hoe rydt myn ien knecht? wel jou lust wel wat groens.

Fred. — Gy Slackje, gy Spinnetje, gy Poddetje, gy kickertje,
Gy Kockedrilletje, gy Baseliskisje, gy Nickertje.

Ang. — Fyn gesel praat gy dus als gy by jou Vrysters bent?
So ist gien wonder dat gy niet an-raken kent.

Fred. — Gy schyt-venyntje, gy Monsterinnetje, gy Schorpioentje,
Gy Nacht-merytje, gy Gras-duyveltje, gy Griffioentje.

Ang. — Hoe ist hier, Keesquyl? speul-op met Jan Vlassen Harp.

Fred. — Wel hay! moer worje quaat? so komtet jou wel scharp.
Binje quaat, so blijft quaat, en loopt vry voor de pocken.

Ang. — Nu Frederijck laet staan, nou seker sonder jocken,
Nou tis hoogh genoech: en niet te veel dat is soet.

Fred. — Ba nues, kyck moer, wel hey sy is niet welle moedt.

Ang. — Maar Monsuer Frederijck en hebdy niet vernomen
Van myn Vrouw? Fred. — Angenietje, is sy noch niet ekomen?
Dat geeft my al te vreemt: ’tis wel een uyr gheleen
Dat sy van daar verliep en liet my gants alleen.

Ang. — Wel hoe quam dat toch by? Fred. — Sy worden t’samen twistich,
De Kapiteyn en sy; doch sy ontsloop het listich.

Ang. — En gaf sy u gheen lues te volghen met een winck?

Fred. — Sy deed een teycken, maar wel vluchtich met een swinck.

Ang. — Wel was dat niet genoech? Fred. — Jaat, maar ick en cont niet vatten,
Den Hopman begon stracx op myn pruylend’ te pratten,
Doen verstondt ick eerst recht dat sy myn schichtich wees,
Want hy stiet my voor duer: ick nochterde van vrees
Al wat, en ick gingh duer: daer komt de uytgelesen,
Ick docht seker niet voor haar an huys te wesen.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Vierde Bedrijf — ’t Vijfde Bedrijf.Vierde Bedrijf — Tweede uytkomen of Bedrijf. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Vierde bedrijf — ’t Vijfde uytkomen, vant vierde Deel.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-vierde-bedrijf-t-vijfde-uytkomen-vant-vierde-dee--gerbrand-adriaensz-bredero-ce53db
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Vierde bedrijf — ’t Vijfde uytkomen, vant vierde Deel.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-vierde-bedrijf-t-vijfde-uytkomen-vant-vierde-dee--gerbrand-adriaensz-bredero-ce53db.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.