CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Vierde Bedrijf — ’t Vijfde Bedrijf.

neerlandés

Lucelle, Margarieta, Leckerbeetje.
Komt sulpher-geesten vaal, komt spoocken snar en snel,
Komt Eungers, komt geswindt en klautert uyt de hel.
Komt Duyvels, Nickers komt, komt ysselijcke droomen,
Komt nachtgesichten, die daar waren aen de stroomen
Van den vervloeckten gront in’t naare heylloos rijck.
Komt onder-aartsch gedrocht beklontert van het slijck,
Loopt, blickert, blakert, brandt met u beteerde toortsen.
Komt dulheyt, raserny, komt siekten, pesten, koortsen,
Serpenten, slangen en giftige dieren wreet,
Die tot vernieling van den menschen zijn gereet,
En schent, en schiet, en scheurt de werrelt, is het doenlijck.
Komt swarte Goden boos, komt Parcken onversoenlijck,
En ghy o blixem vlugg’ vliet vluchtich ende ras,
Brandt huysen, toorens hooch tot pulver en tot as.
Wat toefdy, donder, die het trotste hart doet schricken?
Gaat baldert, klatert, klapt hemel en hel in sticken.
Ick trots u guychel-spel, ick puff u grootste kracht,
Ick tart u allen uyt, komt hebdy hart of macht.
Bortelt op dese borst, en knuest mijn kloecke leden,
En martertse tot stof. Ick wensch te sterven heden,
Om dat ick nu moet sien (o gruwel al te groot!)
De huys-heer van mijn hart en al mijn blijschap doot.
O aarde luyckt doch op, barst open, neemt rechtvaardich
Wraack van ’t onnoosel bloet, gelijck de schelm is waardich.
Och ongeluckichste van al u levens tijdt!
Wat doedy felle doot mijn ziel een groote spijt?
Mijn sinnen borlen tsaam, mijn harte schopt van vresen.
Margriet, ick sterf, ick sterf. ay helpt my in dit wesen.

Margri. — Helaas! sy heeft voldaan en alles uytgeroert.
Ick sie niet dat sy lidt of leen of lichaam roert.
Sy haalt haar asem noch, brengt mijn eeck. ach Lucelle!
Verpijnt u, maackt wat moets, het lijfje mach haar knellen,
Ick sal ’t onthaken en een weynich haar ontdoen
De kousebanden en de linten van haar schoen:
Op dat haar laffe hart, quackx van ’t anborstich hygen
Weer wat verquickins en wat vryer lucht mach krygen.

Lucelle — Wel aan geeft my de dranck van water en Fenijn
Dat tegenwoordich sal het ware middel zijn,
Waar door ick heylichlijck, met innerlijck verblijen,
Mijn jonge leven sal dit koude Lijck toewijen,
En offren ’t op ’t altaar mijns ziels een offerandt
Van ’t suyverst’ van mijn hart en ’t klaarst van mijn verstandt.
Ach edel lichaam, dat door u bedienstigheden
Verdienden al mijn dienst en hoogste jonste mede.
Houdt daar, herneemt den Nap, en secht mijn vader danck
Van vaderlijcke gunst en van zijn lieve dranck:
Die mijn veel waarder is dan al de Artsenijen.
Want hy souw mijn voorwaar met een verdrietich lijen
Gemartelt hebben, by so verre ick een nacht
Laas! na mijn Bruyd’goms door souw hebben doorgebracht.
Ghy meucht hem vryelijck oock wel te kennen geven,
Dat mijn Ascagnes is noch levendich gebleven,
Al leyt hy uytgestreckt aflyvich in de schijn,
Siet hier zijn eygen helft, hy leeft hier noch in mijn.
Ach glory van u tijdt! die staat-sieck noch eer-suchtich,
Manhaftelijck verkreecht den tytel van doorluchtich,
De bloem des Edeldoms en welgeboren jeucht,
Door anders daden niet, maar door u eygen deucht.
Ach schoone oogen! ach de sonnen van mijn leven!
En soud ick niet voortaan in’t duyster moeten streven,
Dewijl een staage nacht verdooft u glansen blont?
Ach soete lippen bleeck! ach liefelijcke mont!
Wiens wyse redens my bekalden vaack in’t hooren
En trockt ten lichaam uyt mijn ziele door de ooren,
Vermits ’tbewegen van u heusche toover-taal.
Ick moet u soenen (ach!) hondertich hondertmaal.
Ach! ist gelijck men seyt dat als twee Liefjes kussen
Den ander voor de mont, dat t’wijlen ondertusschen
De sieltejs spreken tsaam, als door de vensters van
Het ongevoelijck lijf: siet ick besweer u dan,
O alderbraafste ziel, hebdy eenige krachten,
Of kunst, of wetenschap, so wilt mijn niet verachten.
Maar secht doch nu Adieu slechts eensjens noch een reys.
U mistroostige lief. ach vleysje van mijn vleys,
Ach mijn waardige ziel, mijn leven en mijn lusten,
Hoort mijn klachtige stem. Hoe moochdy doch so rusten?
Siet u bedroefde Bruyt is moedeloos en swack.
Mijn troost secht my Adieu met d’alderleste snack.

Margreta in haar selven.
Ach wat een wangelaat! ach wat weemoedich treuren!
Ach sietse ’tschoon aanschijn, heur hayr en kleeren scheuren,
Gelijck de dolle luy, sy krabt haar wangen op.
Hoe schricklijck branden nu de oogen in haar kop?
Ick durf niet by haar gaan, sy mochtmen oock verderven.
Ach sussie moet ick u sien voor mijn oogen sterven?
Lucelle, ach ick sterf, of maticht wat u druck.

Lucelle — Ick sal geen slaaf meer zijn van ’t hartneckich geluck.
Want siet de doot die komt, die mijn de deur maeckt open
Ten blyde boogaarts daar de saligen naar hopen.
Adieu, ick kus voor ’t lest u koude handen tsaart
O lichaam dat alleen is ’t eewich leven waart.
De witte Engeltjens die zijn misschien onledich
En leyden nu dijn ziel voor ’t Godlijck aanschijn sedich
Onder ’tverkoren tal, daar ghy mijn plaats bewaart
En wacht my swoegend’van u hooge hemelvaart
Door wolcken en door lucht. Goon doet mijn vader smarten
En leet zijn onse doot: die’ck hem vergeef van harten.

Margr. — Helaas! daar leyt sy doot gelijcken of sy swymt,
Haar mont schijnt an haar lief Ascagnes mont gelymt.
Ach onbillijcke doot! ghy toont aan al u wercken
De wreetheyt van uw’ aart door moortdadige mercken.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Vierde bedrijf — Het vierde uytkomen, van ’t vierde Deel.Vierde bedrijf — ’t Vijfde uytkomen, vant vierde Deel. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Vierde Bedrijf — ’t Vijfde Bedrijf.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-vierde-bedrijf-t-vijfde-bedrijf--gerbrand-adriaensz-bredero-68f2bb
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Vierde Bedrijf — ’t Vijfde Bedrijf.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-vierde-bedrijf-t-vijfde-bedrijf--gerbrand-adriaensz-bredero-68f2bb.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.