Angniet, Klaartje, Ritsaart.
Waar sal ic die rabbaut, dien schellem doch verschalcken?
Maar zynder sulcke guyts ooc onder de schyt-valcken?
Nu sie ick dat Damast, Fluweel noch schoon Sattijn,
De lieden niet maackt vroom, alst snoode guyten zyn.
In Vrouwlijck gheweydt, om ’tmeysje so te schenden?
O schantvleck, o bedroch! o gruwel boos en fel!
Afgryselijcke daadt! past dit een jongh-gesel
Als u! of uws ghelijck, al waarmen sou op bouwen
Een Kerck? men mach voortaen noch man toch mensch vertrouwen.
Rits. — O Godt! wat wil dit zyn? Ang. — Hadt hy noch maar geblust
Syn moetwillighe wil en eer-vergheten lust:
Maar wt; hy heeft daar toe de Magets kleedt gheschonden,
Gesletert en geschuert, en om zyn handt ghewonden
De tuyten van haar hooft, en trockse by den haar
Langes de harde vloer, en lietse legghen daar.
Rits. — Och! Ang. — Och had ick hem hier! ick souwt hem so uytdrooghen
En krabden hem zyn licht met naghels uyt zyn ooghen!
Rits. — Warachtich ick gheloof en ick denck anders niet
Of daar moet vry wat vreemts tot harent zyn gheschiet:
Vermits dat sy dus baart: wel wat doet u dus klaghen?
Ang. — Schaamdy u Ritsaart niet? maar durfdy dat noch vraghen?
Ghy booswicht als ghy bent, wech gaat van hier al stil,
Ghy en ’t Moortje zyt waart dat ick niet segghen wil.
Rits. — Waarom? wat isser gaans? Ang. — Vraaght dat u ouwe schoenen,
Men hoort u allebey te ruynen en Kappoenen.
Rits. — Waar over? en om wat? Ang. — Ick spuw van spijt myn gal
Om u bedriegery. Rits. — Hoe ist hier, sinje mal?
Ang. — Neen dat en schort myn niet. Rits. — Gy doetet myn gelooven
Door dese sotte praat. Ang. — De Maacht haar eer te rooven
Met openbaar gheweldt! Rits. — Gy bent werentich sot!
Wat pratery is dit? Ang. — Men hoort hem opt Schavot
Te vierendeelen! Rits. — O Angnietje gy bint droncken,
Heb gy te gast geweest? Ang. — Ick ben seker niet beschoncken,
Maar ’thooft is opter loop. Rits. — Bedaart u als een Meyt!
En slaaptet moytjes uyt. Ang. — Wat foey u listicheyt!
Dat ghy ons voor een Vrouw also een man gaat stuuren.
Rits. — Gaat en benochterd u, wat schaamt u voor de buuren;
Tis wonder dat de wyn de Menschen so verdwaast.
Ang. — Ick ben niet droncken, so! Rits. — Myn lieve kint ghy raast.
Ang. — In waarheyt ick en doe. Rits. — Hoe is dit toegekomen?
Ang. — Omdat u Swartin heeft dat meysjes eer benomen.
Rits. — Kindt mydt u voor den dranck, wat doe g’er me int lijf?
’t Staat lelijck voor’een man, noch lelijcker een wijf.
Ang. — Ick heb gheen noodt vanden dronck, ick macher oock niet tueghen,
Ick drinck maar maattelijck, en dat maar tot verhueghen.
Och had ick oyt gedacht dat ghy so valsch souwt zyn?
Maar Ritsaart sydy oock so onghelijck u schijn?
Die u int aansicht siet en hoort u deftich spreken
Die valtet niet eens in, dat in u borst souw steken
Sulck een verraders hart, als gy an ons betoont
Tis wreetheyt dat ghy niet d’onschuldighe verschoont,
Of u myn Vrouw onlangs also ter luere stelden,
Moet dat d’onnoosel maacht so jammerlijck ontgelden?
Rits. — Ghy raaskalt, wel hoe nu? ick kan u niet verstaen:
Waar van beticht ghy myn? of wien heb ick misdaen?
Ang. — Vergroot de sonde niet met u ontijdich lieghen,
Men souw de wijste mensch te werelt so bedrieghen:
Ghy schenckt ons een Moris, men hadt geen achterdacht,
Of sulcx als ghy spraackt so was ons voortghebracht.
Maar so wy nu bevroen en klarelijck bemercken,
So ist een man gheweest an zyn schellemsche wercken.
Rits. — Ghy liechtet stuckevleys: want ick weet seecker, dat
De Schipper heeft by huer een kindt of twee ghehadt.
Ang. — Hoe ’tis of niet en is, het werrick sal ons schayen;
Watmen de Dochter vraecht, sy antwoort slechs met schrayen:
De schaamt sit op haar tongh, die ’tspreken haer verbiedt.
De schandt die knaacht haar hart en kluyftse met verdriet.
Ick sorich de Deeren sal dit al te seer inbinden,
En dese Vrouw of Man is nerghens niet te vinden;
Dit doet myn vresen noch dat daerenboven hy
Int vluchten heeft ghepleeght eenighe dievery.
Ick heb een groote pleyt ter vierschaer van myn sinnen:
Want ist een Vrouw gheweest hoe souw sy dat beginnen?
Tis teghen de natuur: ist een Man van een swart?
De vrees die souw de lust hem drijven uyt het hart.
Ick weet niet hoe ick stae, so dut ick om dees schennis.
Rits. — Waar sal sy loopen doch? sy heeft hier gants kennis,
Ten waar sy by geval nu weer tot onsent was.
Ang. — Ay sietet eens ick bidts. Rits. — Ick sal seecker so ras
Alst my maar mog’lijck is. Klaer. — Wat dunckt u myn Vriendinne?
Wat sullen wy bestaen? wat raadt is doch hier inne?
Ick hebbe noyt ghehoort so schandelijcke daat,
Die het verhalen self voor ons niet toe en laat.
Ang. — My was wel eer geseyt (in ick recht heb onthouwen)
Dat die Moorianen zyn genegen seer tot Vrouwen.
Maar oft haar hart en sin wel tochtich daar toe track,
De angst voor doot of straf haar gayle lust wel brack.
My quam het minste quaat niet eens in myn ghedachten.
Klaer. — Angnietje wel wie sou eens dencken om verkrachten?
Ang. — Ja had ick dat ghedocht ick had hem wel geset,
Daar hy zyn ziel noch Maacht sou hebben so besmet.