CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Vierde Bedrijf — Het derde bedrijf in de vierde Deeling.

neerlandés

Leck. — Ha ghy bedrieger en ghy schender van mevrouw
Geeft u gevangen, kort, eer ick u ’thooft afhouw
Soo ick Ascagnes docht de kop te smijten stucken,
Of in zijn borst die knijf tot an het hecht te drucken,
So schiet hy om geswint, verset dit met een treck,
En sloech mijn avehans recht voor mijn platte beck.
Wat drommel soud ick doen? ick sweech, ick dorst niet spreken.
Klopt so niet meer, docht ick, ick sel de klincksnoer uytsteken:
Maar hy ontsprong mijn stracx en vlooch met een wip
Na zijn slaapkamer toe, (’k versin me) na zijn knip,
Want siet, ick liep hem na en ben flux toegeschoten
En heb van buytene daar binnen hem gesloten.
Daar sit hy noch en kyckt. nu ty ick heen en haal
Mijn baas, die nu spreeckt met Lucell’ in de zaal. Carp.uyt.
Holla daar is hy juyst. ay hoort den grynsert morren,
Dat hy Sint Teunis verckens op had, hy mocht niet meer knorren.
Hy knarst, hy knoeyt, hy hort, hoort knor, knor, knor, knor, knor.
Nu ick mach swijgen stil, eer ick hem meerder por.

Carp. — O schellemachtich kindt! de rampsaalichste Vader
Ben ick (laas!) van mijn eeuw, oft oock van allegader.
O ongetrouwe knecht! o mijn bedurven huys!
O mijn wreede Planeet! och fortuyn, wat een kruys
Lecht ghy mijn outheyt op? helas! ick mocht wel seggen,
Dat mijn dit groot geluck een loose laach sou leggen.
Wat kan ter weerelt toch my swaarder komen op,
Dat meerder prangen mach voor desen kalen kop,
Als dat mijn eenich kint, mijn dochter na den bloede
(Dochter? neen Aaterling en bastert van ’tgemoede)
Verlaat het pat des deuchts, en slaat ter slincker om?
Mijn kint, mijn steunstock van mijn kromme ouderdom,
Die heb ick moeten sien selfs voor mijn oogen schenden,
Niet van een Koninx kint, maar van een onbekenden
Verarmden Visschers soon, en sy is noch soo stout,
Dat sy mijn seggen darf, dat sy hem heeft getrout.
Oock dat sy was van sin om met hem wech te trecken,
En had ick ’t niet belet. dees woorden die verwecken
Een sulcken strijt in my, dat ’ck twijffel wat ick wil.
De spraack begaf mijn. ach! ’t scheen dat my ’thart ontvil,
Doen dit de Deeren sprack, ick ging beschaamt van boven
En sloot het slot int slot, de grendels voorgeschoven
Tot door de krammen heen. soo sal de deur oock staan
Tot ick in dese saak my beter sal beraan.

Lecker. — Ascagnes sit oock vast, want soo hy mijn ontsnapten
En sloop zijn Kamer in, die hy oock stracx toelapten,
Daar doch hem was hy vry. wat denckje deed ick doe?
Ick ging en sloot de deur wel vast van buyten toe.
Nu overlecht, mijn Heer, wat dat u is van nooden
En met wat doot dat ghy Ascagnes wilt doen dooden.

De Vader. — Maar waarom suff ick dus en wend mijn wijsheyt an
Een sake die ick doch geensins beletten kan?
Want siet sy zijn getrout voor Gode met haar beyden,
En wat God t’samen voegt dat mach geen mensche scheyden.
O eer van mijn geslacht! adieu mijn suyvre staat.
De Kindren sullen my nawijsen by der straat.
’t Geselschap dat ick plach in eeren te behagen,
Dat sal my schuwen trots, of spijtich van sick jagen.
Mijn vyant sal (o spijt!) noch spotten met mijn schant,
De vreemde speelders die soo loopen door het landt,
Die sullen over al op Kamers en Tonneelen
Dese geschiedenis afschildren en naspeelen.
Ick sal het sproockje zijn van de gemeene lien,
Een yder sal my daar scheets lacchend op aansien.
De dieven, die de eer bedeckt van vrome steelen,
Die sullen mijnen naam met lasterdichten streelen.
Men sal my over dis, op wagens, of in schuyt
Tot een tijdtkorting dit vertellen als een kluyt,
Gelijck als voor wat nieuws, wat koddichs, of belachlijck.
Dit soude my (helaas!) doch zijn te onverdrachlijck,
Ick weet een beter raat, al is sy schoon wat wreet.
Daar is noch niemant die van desen handel weet,
Dan ghy, van welckes trouw ick my wel vast verseker.
Gaat stracx tot mijn gevaar Meester Hans d’Apotheker,
En secht dat hy doet twee oncen scharp Fenijn,
’t Sy van Marmatica, of dat soo quaat mach zijn,
Dat een kleen greyns gewicht een mensche kan doen sterven
In eenen oogen-blick. Lecker in.

De Vader in zijn zelfs.
O help! hoe menichwerven
Ben ick bedrogen door het uyterlijck gelaat!
Maar d’aldergoetste schijn is valscheyt inder daat.
Want op Ascagnes trouw soud ick hebben gesworen,
En op de Vaders liefd mijns Dochters uytverkoren,
Die luttels tijts verleen wel heuschlijk heeft ontseyt
Den edelen Baron van hooger waardicheyt,
Om datse souw dan doch wat meer vernoegings geven
Mijn jaren afgement en moe en mat van leven.
’t Is waar dat schijn bedriecht, gelijck hier staat in schrift.
Sy sullen alle bey sterven an dat vergift,
Dat Leckerbeetje stracx is heen geloopen halen,
Want na Ascagnes sal doch niemant niet eens talen.
Een snelle sieckt of pest mijn Dochter heeft gedoot,
Dat sal ick seggen wis, en voort en macht geen noot.
Al doet het my al seer dat ick haar sal verliesen,
Men moet toch van twee quaan altoos het minste kiesen.

Lecker. — Siet daar is het vergif. hy seyt het is wel fijn,
’t Sal in omme sien haar helpen uyt de pijn.

Carpo. — Hoe nypje so jou neus? wel wat beduyt doch datte?

Lecker. — Mijn Heer, ick vreese seer dat het mijn oock dal vatten.
Gelijck de Mostert doet. Car. — Wilt stracx mijn sinckroer laan,
En mengelt dit in een en volgt mijn achter aan.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Vierde Bedrijf — Eerste uytkomen.Vierde bedrijf — Het derde uytkomen, van ’t vierde Deel. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Vierde Bedrijf — Het derde bedrijf in de vierde Deeling.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-vierde-bedrijf-het-derde-bedrijf-in-de-vierde-de--gerbrand-adriaensz-bredero-c8950d
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Vierde Bedrijf — Het derde bedrijf in de vierde Deeling.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-vierde-bedrijf-het-derde-bedrijf-in-de-vierde-de--gerbrand-adriaensz-bredero-c8950d.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.