CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Tweede Bedrijf — ’t Vierde uytkome. Tweede bedrijf.

neerlandés

Pannetje-vet, Lecker-beetje.
O Leckerbeetje hou, mijn groote kamer-raat!
Waar loopt gy doch na toe, dat gy soo besich gaat?

Lecker. — Gy steurt myn met jou praat, en let mijn wel een roccheltje,
Ick stick schier an de fluym, wat brabbelt myn dit boccheltje?
Siet tegen wien ghy spreeckt, as ick mijn dingen doe,
Of as ick hoest oft fnies, dan spreeck ick niemet toe.
O dit wanschapen ding! wat is dit, lier gy dit van jou ouwers?

Pann. — Wat schort jou op myn bult? ick draachse op mijn schouwers,
S’is jou niet in de weech, of gy’er wat op schiet,
Daar ickse heb gekoft, daar krijchtmense wel om niet.
Maar dats al even eens, Leckerbeetje, nu dat overgeslagen,
Mijn heer en meester de Baron die doet jou vragen
Of gy geen middel weet te brengen an den dach,
Waar door dat hy Mevrouw Lucelle spreken mach?
Soo gy hier in jou dienst gewillich wilt betoonen,
Hy sal’t u na u wensch en na u wil beloonen.

Lecker. — Ick houw van woorden niet, al synse noch soo schoon.
Hoort hier eens Fyllebaart, voor mijn verdiende loon,
Soo jou meester myn, die doch soo wel kan hoven,
Het hovenierschap van zijn Koken moeten loven,
Want siet ick kan hovenieren by avont en by noen.

Pann. — Wy hebben over Disch geen Hovenier van doen.
Vraacht na een ander staat, dits te kleyn en oneerlijck.

Lecker. — Wel maackt jou Meester dan niet veel bancketten heerlijck,
Noch waerdschappen, noch kostelijcke malen groot,
Daar hy den Adel en het Juffermarckt op noot?
Schickt niemant dat daar ’thoort, dat daar niet wert opgesproken?

Pann. — Gy wilt Hofmeester zijn en heerschip vande Koken.
Nu versta ick jou eerst. Wel, Lecker, dat is recht
Een dingen dat jou past. Ick moet met dese knecht
Wat alven, wat gecken, wat lacchen, boerten, jocken,
’tIs sulcken mallen bloet. O gy kock aller kocken!
O Komt hier voor den dach. Gy verstaat jou immer wel
Op de saussen van een saussys, of van een moye frickedel,
Gefricasseert in de bruyne brande graaf mouweris,
Of op een snipje met zyn dreckje? also wel denck ick als Louweris,
Op de vreemde Composten en sopjes vande vossen dans?
Van de Almangie quapaart van een vette Gans?
Van de Struyven Taarten van galliaarde Spaenjen?
Van de sinckepas over ’tgebraen? van appelen van Oraenjen?
Van de Bergomaskes en de maskarades van een hoen?
Van het droopen en de capriolen van een kappoen?
Van de bisarde grimassen van de Artisocken?
Van toekruyt, van gecoockte Salm, en Engelsche bocken?
Over de pasteyen, met sla, van quins parlement?
Ick gis datje de quaterbranckt lavagotte en peck in de ton wel kent.

Lecker. — Ick kan geen van al die toerientayen, noch snorrepypen
Waar haaljet al van daan? hoe kant jou verstant begrypen?
Ja wel gy bint een man als morch, vaar, ghe hebt een ysere hooft!
’t Is vreemt dattet Jupiter niet met zijn diamanten byl op klooft,
Voor seker souwer een Pallas van de koken uyt komen.
Ja wel speciaal, gy hebt de kunst geweldich innenomen.
Gy moet met veel Heeren en Princen hebben verkeert.
Niettemin ick ben inde koken oock geweldig gevexeert,
En trouwen de 9. vrye kunste oock, wil ick seggen: als in lastrolagie,
Natimatica, ramatica, de gigromance, lusica, petorica, frobentomie.
Maar insonderheyt sin ick baas uytgenomen in een stuck
Dat is, ick weet de luy te seggen veel goeder geluck,
En wat avontuur dat sy sullen krygen in haar leven.

Pann. — Wel siet eens inde myn, ick sel een vaan ten besten geven,
En soo ick niet betaal, soo haalt de duyvel stracx.

Lecker. — Wil ickje wat segge, Pannetje-vet? ick ben niet goet bullebacx.
Ay staat wat van mijn of, de duyvel die mocht falen,
Hy sou mienen dat hy jou had, en hy sou mijn halen.
Daar houw ick mijn geck me, ick heb geen sin in die geck.
Maar om datje wilt vervullen mijn ellendig gebreck,
Want siet mijn holle maagh en al mijn lege darmen
Die kryten in mijn buyck, dattet een mensch sou erbarmen,
Vermits ick niet en heb genut, noch kouwe schaal, noch onbyt,
Noch brandemooris, extract, noch borstwater, noch taback, noch nietemyt
Komt geeftmen nou jou hant, op dat ick u seg te veuren,
Op dat ick jou vertel, wat jou noch sel gebeuren.

Pann. — Siet daar, Leckerbeetje, en seght my ’t goet en ’tquaat
Dat mijn hangt over ’thooft, wat mijn te wachten staat,
Praat mij niet na de mont. Lecker. — Ick sie hier in de strepen
En vouwen van jou hant veel wonderlijcke grepen.

Pann. — Hoe stajy doch so lang? verteltmen hoe en wat.

Lecker. — Ten eersten sie ick, dat ghy hebt maar een moet ehadt,
En de Vaars die gy hebt, die schynt datter so veel bennen,
Dat gy den een voor den ander qualijckt keunt bekennen.
Is niet waar? Pann. — Spreeckt daar niet of, spreeckt van mijn.

Lecker. — Staat stil Pannetjevet. Hier staat in dese lijn,
Dat gy een oolycke guyt bent, en wert dagelijx slimmer
En dat gy een laccher bent op straat, en binnens huys een grimmer.
Ist niet waar? Hier blyckt dat gy altijt sondaechs jouy gelt verpoyt,
En dat gy niet gaarn jou Roosen voor Verckens stroyt.
Ist niet waar? Hier staat datje noch passelijck by ’tgehoor bint,
En datje wat murw en wat dick achter jou oor sint.
Hoe nou? staet stil, wat so, datsen vryer, soo dat is fraytjes,
Gy drinckt gaern Antwerps bier, gy eet gaern bestaytjes.
Gy hebt altoos snoepery in jou diessack, sag ist niet soo?
Gy bent gaern op de Rederijckers kamer, en thuys ben je noo.
Gy lecht gaern een blaetje, dat kan ick uyt jou duymen sien.
Ay Japickje, gaat van mijn, hartje, of ick vijst een pruyme stien.
Ick sie, dat gy liever een vrouw in ’themt siet.
As een man in ’tharnas. Ist niet waar? Pann. — Ick bent alleen niet.

Lecker. — Noch sie ick inde vouwen en kreucken van jou vingeren,
Dat gy snachts gaern wat loopt byder Straten slingeren.
Ist niet waar? en daar sieçk in jou Borgoense kruys,
Dat gy met de jonge maats veel tijts loopt in ’t Olykoekxhuys.

Pann. — Hy dat is al geschickt, gy meucht daar wel van swygen.
Secht my wat avontuur dat ick hier noch sal krygen.

Lecker. — Twee dingen ken ick jou noch toe te komen sien,
Dat is, jou sal een goet gelock, en een ongeval geschien,
Want ’ten sy dat gy geen soberder leven wilt verkiesen,
Soo suldy haast jou neus tusschen jou wangen verliesen:
En dat souw my van jouwent wegen dapper moeyen.
Siet jou wangen die sellen over jou neus heen groeyen,
Soo gy dat brassen en bruysen en slempen niet en laat.
En nou Pannetjevet, wat dat het geluck angaat,
Dat staat in jou eygen hant, kundyt maar wel beleggen,
En vollich gy de wech die ick jou wel kan seggen.

Pann. — Ay secht het myn doch knap, segt mijn de raat, mijn vaar.

Lecker. — Maar gy selt noch een koopman werden van veugels, of een veugelaar,
Doch gy moet u geen moeyten ontsien, noch an u niet laten gebreken,
Gy moet jou hooft inden grooten hoenderkou steken,
En roepen, wie wil mijn veugelen, wie wil mijn,
En soo gy jou selfs verkoopt, sel gy dan geen koopman sijn?

Pann. — Dat jou de pocken haal met jou liegen.

Lecker. — O lieve soetert, ’kben niet vervaart voor driegen.

Pann. — Hoort een Leckerbeetjen, hoort, laat ons dit overslaan,
Wanneer en waar sal mijn Heer best by Lucelle gaen?.

Lecker. — Maar nou van avont spaa, dan sal sy gaan ter kercken;
Laat hyse nemen waar, niemant sal daar op mercken.
Hy kanse dan na wensch daar komen wel ter spraack.
Maar seght hem oock van mijn, dat ick mijn reeckning maack,
Om heer en baas te zijn van zijn kelder en koken,
Gelijck het in ’t verdrach te samen is besproken.

Pann. — Ick sal dat seer wel doen, stelgy jou maar gerust..

Lecker. — Eeleman hout jou woort. Och, ick heb soo soeten lust..

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Tweede bedrijf — HET TWEEDE UYTKOMEN.Tweede Bedrijf — Tweede Uytkomen. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Tweede Bedrijf — ’t Vierde uytkome. Tweede bedrijf.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-tweede-bedrijf-t-vierde-uytkome-tweede-bedrijf--gerbrand-adriaensz-bredero-aa8e4e
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Tweede Bedrijf — ’t Vierde uytkome. Tweede bedrijf.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-tweede-bedrijf-t-vierde-uytkome-tweede-bedrijf--gerbrand-adriaensz-bredero-aa8e4e.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.