Angniet en Kloridon.
Hoe mooghdy Kloridon die lichtheyt mijn vertrouwen?
Mijn minne die en sal verkoelen noch verkouwen,
Noch nimmermeer vergaan. Mijn lieve Kloridon!
Mijn huys-waert van mijn hart! mijn zieltje! ach mijn Son!
Ey hoort u hellifje doch een kleyn luttel spreken:
En kan ick u, mijn troost! soo veel jonst niet niet ontsmeken,
Dat ghy u wat bedaart? wat sal ick u doch doen?
Ach dat ick u, mijn lief, niet schier noch doot en soen.
Maar souder so veel soets wel inden Hemel wesen
Als ick bevalligheyts kan uyt u aansicht lesen?
O neen; dat denck ick niet; het aldersoetste soet
Is by die soetigheyt puur gal en bitter roet.
Ach lieffelijcke mont! sal ick u oock vermoeyen?
O vriendelijcke tongh, van wien de redens vloeyen
Vol honichs en vol krachts, hoe geefdy nu niet uyt
U hemels-klaar verstant met goddelijck geluyt?
Maar wat verslagentheyt? wat woelen? en wat woeden?
Wat is de oorsaack doch? helaes! een quaat vermoeden,
Gegront op enckel waan! Mijn Heere laat dat na,
Ick wens dat my Jupijn met sijnen blixem slae
En brant tot as en stof, indien ick van mijn leven
Mijn hart aan yemand als an Kloridon sal geven
Dus weest doch wel gerust. Maar soud ick immermeer
Een ander leven? neen: Ghy zijt mijn hart! mijn Heer,
Met wien oock dat ick heb mijn schoone tijt versleten
Twee heele jaren langh: ach souw ick soo vergeten
Ons minnelijck bedrijf en vrije vriend’lijckheyt,
Die beter is gedocht, geswegen, dan geseyt:
Wat sek’rheyt wildy meer? laat ick niet in u handen
Mijn vryheyt en mijn eer, myn kostelijckste panden?
En wouw ick anders, och! ick vreese dat u pen
Souw levend’ schildren af hoe eerlijck dat ick ben.
Klor. — Mijn Angenietje lief; al hebmen schoon al borgen,
Gemeenlijck sal de mensch het alderquaatste sorghen,
En dat met goet gelijck. Want geen vrouw is so goet,
Of sy speelt met een treck licht-hartich banckroet.
Ick hebbet selfs versocht en inder daat ervaren,
Aan vrouw-lien die mijn liefst en schoonst voor oogen waren,
En tot my meest gesint na uyterlijcken schijn.
Angeniet. — ’t Waar jammer souden daar geen goede vrouwen zijn.
Klor. — Sy zijnder, maar heel dun, en swaarelijck te vinden
Angeniet. — Maar waar tot komdy noch? mijn eygen! mijn beminde!
Ghy lastert en ghy schelt het vrouwelijck gheslacht
Van wien de vroomste man en ghy zijt voortgebracht.
U moeder ghy veracht van wie ghy zijt gheboren.
Klor. — Ick kent, het is mijn schult, mijn waarde uytverkoren,
Vergeeftet mijn Jofvrouw! Ang. — Ick sal, indien ghy set
’t Mistrouwen uyt u ziel, geeft mijn u tafellet,
Daer komt my wat in’t sin, want ick soud garen schrijven
Een tuytertje of twee, wildy so lang wel blijven?
Klor. — Soo lange niet alleen: maer al mijn leven langh.
Angeniet. — Komt kust mijn eerst nog wat. Klor. — noch eentje an die wangh.
Sy schrijft, en naet lesen seyt of singht sy dit.
Wat onvertelbre vreught en wat verwonderighen,
Wat lieffelijck onthaal! wat heughelijcker feest!
Komt my dus onbewaant met een getuymel dringhen,
En plotsen alghelijck op mijn verdeelde geest?
O vriendelijcke vreught van uyt-ghekomen krachten!
Hoe sweefdy van mijn ziel tot myn harsen-pan,
Die ghy alsoo beroert dat ick met mijn ghedachten
U niet begrijpen en veel min uytdrucken kan.
Ach d’oorsaeck van mijn vreugt zyn u vergode ghemoet,
En u ghebleeckt vernuft en hel door-sond ghemoet,
Waer met ghy zijt ghewent in wijsheyt te verwinnen
De oordeel-rijckste en de suyverste van bloet.
De klaerheyt van u geest en verstandeheden
Die blincken in u werck ghelijck een Sonne-schijn!
O volheyt van mijn vreught! O leyd-ster van de reden!
Waar voor het klaarste licht schijnt duysternis te zijn.
Hoe dickwils souw mijn tongh u groot kennis loven,
Indien ick waar geleert Godinne na mijn wensch,
Maar u waardyen gaan de aartsche lof te boven,
Hoe veel te meer dan van mijn onvermogen mensch? Roosendaal uyt.
Ay over-schoone ziel! ay over-lieve leden!
Van omme-treck soo eel, soo poes’lich en soo sacht:
Van goddelijck gesicht en so vol properheden
Als immermeer de kunst sou toonen, spijt haar kracht
Klor. — Maar wijse Angeneet ’t is myn te seer gepresen,
Dies ick met Hector spreeck (hoe wel met soeten dwangh)
’t Is loffelijck gelooft van geloofden te wesen:
Maar ick heb anders niet als ick u ontfangh.
Och siet u vader komt, waar sal ick my versteken?
Angeniet. — Loopt achter inde hof, en komt my stracx weer spreken.