Anna de Nicht en Angeniet.
Fy Angeniet! ick merck de valscheyt van u kunsten,
Ghy kuyffelt en ghy kaatst met wayffelighe gunsten.
Wien sich u slaaf ghelaat en maar sijn dienst aenbiedt,
Dien zydy vriendelijck; seght my, en komtet niet
Om oft u by gheval ter eener mocht ghebreken
Dat ghy ter anderer u niet en saaght versteken?
Ghy zijt met een ghetrouw’ en goet dienaar versien
En wilt licht-hartigh noch meer andere ghebie’n.
Bedenckt ghy niet, o maaght! wien dat sijn gheest laat vallen
Op alle dingh ghelijck, die heeft s’ in gheen van allen?
Angeniet. — Wat schaat dat niet en schaat?
De voorbaat is niet quaat,
Die wil ick niet verliesen.
Wt velen machmen kiesen.
Wat gaat’er voor de ruymt?
Ick hebt wel eer versuymt,
Maer ’k leer met scha of schanden;
En heb ick geen twee handen,
Twee oogjes, lipjes twee,
Borsjes en voetjes mee
En noch meer ander dingen,
Waerom souw ick my dwinghen
An een? wel bin ick mal?
Een is een kleen getal:
Een kleet is haest versleten,
Een spijs wert beu in’t eten,
Een tuygh die wert gewraakt,
Een kray geen winter maakt:
Hoe liet ick my so leyden?
’k Wil sonder onderscheyden
Mijn jonst an yder een
Bewijsen in’t gemeen:
Wert een lieftalich wesen
Van yegelijck niet gepresen?
Anna. — Spraacksaamheyt mach wel deur:
Maar het gaet met de keur
Van mannen of van saken
Alleens ofmen liet maken
Twee doosen, evengroot
Van swaart, van gout en loot:
Soudy niet lang staan temen
Om ’t een voor ’t aar te nemen?
Kloridon is gout,
Endimion is kout
Als loot, of mog’lijck kouwer.
Angeniet. — ’k Ben garen by mijn ouwer.
Anna. — Maar ghy verhaalt hier niet,
O wufte Angeniet,
Dat sy haer selven pranghen
Die al te veel omvangen.
Aenmerckt eens en bevroet
Te deghen wat ghy doet;
Ghy soeckt met valsche saken
U seer gelieft te maken,
Doch u minn’lijck gelaat,
U vriendelijcke praat,
U lachen en u jocken
Un aanminnich locken
En u verbloemde schijn
Yder bekent al zijn:
Hier door mocht u gissen
Wel seer komen te missen.
Ofschoon een groot getal
Van Jonghmans over al
U volgen en u dienen,
Met snackjes sinder mienen,
Met monden sonder hart,
Met sterven sonder smart,
Gelijck de vryers treuren,
So kond heel licht gebeuren
Dat ghy van alle dien
Verlaten u soud sien:
Want so ghy niet wilt soeken
Den hoogh-dragende kloeken,
En daar toe matich rijck,
U staat en aart gelijck,
Ghy sulter luttel vinnen
Die u dan sullen minnen.
Een groot-hartigh gemoet
Van preutsch en edel bloet
En mach toch in syn vryen
Geen mede-macker lyen,
Veel liever ist benijd
Om ’t geen dattet vrijd,
Dan dat het kan verdragen
Dat yemant sijn aanslagen
Of voor-bedencken raat
En loos’lijck onder gaat.
O wulpsche Angenete!
Ghy sult eer langh wel weten,
Een oord’len, hoemen acht
Een schoonigheyt, diens kracht
Hier wert gedeelt an velen
En in besond’re deelen;
Daar by sult ghy verstaan
Hoe veel ghy hebt misdaan
De geen, die al sijn dagen,
Niet socht dan u behagen,
En die niet anders leeft
Dan by dat ghy hem geeft
En die wed’rom sijn leven
Gewillich u sou geven,
Ick meen u Kloridon.
En nu Endimyon
De vryer hier komt veynsen,
Nu keerdy u gepeynsen,
En laat u eerste lief met groot verlanghen staan.
Angeniet. — Wel wacht ick hem te langh? so mach hy thuyswaart gaan.
Gaat henen, Anna nicht, secht hem van mijnent wegen,
Dat het voor dese reys my niet en komt gelegen,
Maar ist dat hem gelieft hy kome t’ achtenoen.
Anna. — Ick wil den Edelman de bootschap garen doen.
Eynde van het eerste bedrijf.