Roosen-daal en Klaremondt.
Ach Klaremont mijn vrou! mijn dunckt dat onse dagen
Allengsjens ons ontgaan, en voorts ten grave jaghen:
Helaas! de grijse Tijdt die loopt veel snelder hier
Dan ’t swalpend’ water van de ruyschende Rivier,
Dan stroomende met kracht komt schuymend afgedreven,
Doch gheen dingh is so vlugh als ’s menschen vluchtigh leven!
Want of men schoon een man hier tsestigh Jaren siet,
Hy valt en stort daar heen en smeult en smelt tot niet:
De Doot omcingelt ons, wy zijn sijn na-ghebuuren,
En moet na de Wet en reghel der natuuren
Ons onder sijn banieren al gheven, soo wy sien
Aan jongh en jeughdigh Volck, aan ons ghelijcke li’en,
Aan maaghschap en aan bloet, aan vrienden en bekenden
Die by ons syn verleeft, ’t ghetal is sonder ende:
Sy sijn nu in haar rust, en legghen in het stof,
En slapen d’ys’re slaap; wy moetender oock of,
Maar weten niet wanneer, dus laat ons onse saken
Tot dese laatste tocht ghereet en vaardigh maken,
Wy moeten nu betre’en den seer bedwonghen pad
Ons kluwen is schier of; ick heb mijn tijdt ghehadt,
Ick moet verschijnen voor de grooten raadt der Goden,
Ick ben ghewaarschout vaack door teyckens en door boden,
Die my vermaanden steets te dencken op dien dagh
Van ’t alghemeene recht, daar niemandt of en mach:
Eer dan de dorre doot met schrickelijcke stemmen
Ons onvoorsienlijck roept, eer ick my voel beklemmen
Van sijn killende handt, eer dat hy ons verrast,
Soo laat ons nu voldoen ons op-gheleyde last:
Het tijdtelijcke goedt dat ons hier is ghebleven
Voor onse moeyt’ en sorgh, laat ons dat wijs’lijck gheven
Aan een voorsichtigh man, en die ons eenigh kint,
Ghelijck zijnde van Staat, te trouwen is ghesint,
Op dat wy voort gherust ons leven moghen leyden
En sonder achter-docht uyt dese werrelt scheyden,
Het welck wy schuldigh zijn met grooter neerstigheydt
Te vord’ren; ’t is by ons wel dichwils aangheleydt,
Maar hieldent altoos op met slepen en met sloeren,
Het moet eens op een eyndt; wy moeten ’t nu uyt-voeren,
Eer sy door slofheydt en door achteloosheydt groot
By vreemde Vooghden komt na onser beyder doot.
Veel beter soud mijn ziel verheugen en vernoeghen,
Dat sy haar nu althans, gehouwt zijnde, gingh voeghen
Te wonen op haer selfs in eyghen heerschappy,
So waar sy uyt het oogh en ’s volcx klapperny:
Want geen mensch so volmaackt, noch niemant sal ’t so raken
Dat hy ’t de nijdige of elck te pas sal maken:
En tot beschuttingh van de Maaghdekens haar faam,
Is tijdich huwlijck voornaamelijck bequaam.
Wien is hier inde stadt die niet en sou behagen
Ons oud en groot geslacht van vrienden en van maghen?
Wien soude niet verblijt van harten, voor sijn deel
Ontfangen tot syn Bruyd ons kostelijck juweel,
In ’t welck de gaven zijn van d’alderbeste menschen,
Of die een groote ziel sijn liefste lief kan wenschen,
Als eer, en weeslijckheyt, met schoonheyt fris verselt,
Met hooge afkomst, en met mogentheyt van gelt.
De goedighe natuur heeft haar met dese dingen
Ten alderhooghst versien, ja dat so sonderlingen
Dat ick noch Prins, noch Graef, noch niemand inde stadt
Souw wijcken in sijn bloed, in adel noch in schat,
Noch sy de schoonste vrouw in deeglijckheyt en deughden.
Klaar. — Laat haar, o Goden! voort soo leven ’t onser vreughden,
s’Is vol en groot van geest, en wy seer machtigh rijck,
Dan waar vindmen een man haar waardigh of gelijck?
Doch dese sorch, mijn Heer, wil ick u toe vertrouwen,
En wat ghy denckt of doet sal ick van waerden houwen,
So sal u dochter oock, die noch om lief noch leet
Sal wederstaan u wil, waar ghy haar oock besteet.
Ick kenn’ haar dweegen aart en sachtheyt van haar sinnen,
Sy is oprecht en slecht, en weet noch van geen minnen.
Roos. — Ick weet geen beter als den heuschen Kloridon
Klaar. — En ick geen liever dan den rijcken Dimyon.
Roos. — De ware rijckdom lief, die leyt in’t hart gelegen.
Klaar. — Wat schaat de rijckdom die met eeren is verkregen?
Roos. — Niet. Kloridon is groot en treffelijck van moet.
Klaar. — Dats wint. Endimyon is dapper wel begoet.
Roos. — Maar Kloridon is jongh, vermakelijck en aardigh.
Klaar. — Jonckheyt vol sotheyt is niet een penningh waardigh.
Roos. — Nochtans trecktmen daar door meest aller menschen gunst.
Klaar. — Endimyon die kan daer toe een and’re kunst.
Roos. — Liever, wat kan hy doch Klaar. — Gelt winnen en vergaren.
Roos. — Het is noch grooter saack ’t gewonnen te bewaren:
Rijck werden is geen kunst maar deuchdelijck en goet,
Ick acht eer boven gout. Klaar. — Het winnen dat is soet.
Wie ’t meeste voordeel doet, wert die niet meest gepresen?
Daar is geen meerder schand als sonder gelt te wesen.
Roos. — Kloridon is kloeck, en souw dit land regieren.
Klaar. — Men geeft geen vreemdelingh de staaten te bestieren.
Roos. — De deught wert over al in groot aansien gestelt.
Klaar. — Wat vordert yemants deught, heeft hy geen goet noch gelt?
Roos. — De deught van klaarverstant brengt eener tot gebieden.
Klaar. — Verstant? o neen! het gelt maakt staat-waardige lieden.
Roos. — Dats dolheyt en geen recht. Klaar. — Maar wat een praat is dat,
En zijn de rijckste niet de beste vande stadt?
Roos. — Hy is best die best doet in goed’ voorgang van leven.
Klaar. — Ja sonder gelt en wort daer niemand om verheven:
Het gelt doet alle dingh, dies ick ’t met reden prijs,
Die gelt heeft die is vroom, goet, deuchdelijck en wijs,
Al werd hy inder daat een guyt of geck bevonden.
Roos. — De rijckdom is hier veel een oorzaak van veel zonden
De armoed let de Helden niet,
In staat te stijgen, soomen siet
Aan Eumenes schalck en schrander:
Dees Voermans soone wel ter hant,
Quam door geswindheyd en verstant
An ’t swagerschap van Alexander.
Virgili de grooten Poët,
Die ’t voorst van de Latijnen treet,
Was sone van een Potte-backer.
Horati Vader was een slaaf,
Maar niettemin so was hy braaf,
En wel begeest, aartigh en wacker.
De Coningh Cræsus machtigh rijck,
Die niemand waande sijns gelijck,
Schoot Solons spreuk eerst in gedachten,
Als hy gebonden lach op ’t vyer,
Te weten: datmen niemand hier
Voor dat hy sterf sal salich achten:
Want Policrates die Tyran
Waar soo luckige rijckeman,
Dat hy noyt ong’luck heeft ontfangen:
Dees mensch die noyt in ramp en viel,
Die liet noch ’t leven of de ziel
Daar ’t lichaam an een koort bleef hangen.
Het is voor groote Heeren quaat
Te treffen of te houden maat,
Haar vryheyt doet haar schendich dolen.
Den schralen man so vaak niet dwaalt,
Vermitst aan macht van geld hem faalt,
Door armoed’ blijft veel quaats verholen.
Daar hier den brassaert of den vraat
Sijn holle maagh tot swalpens laat,
En ’t eel vernuft in wijn verspillen,
Daar leeft den Armen heel ghesont,
Sijn oogh en twist niet met de mont,
Sijn rechter-handt met slinghsche willen
De armen vinden kunst en raat,
Sy schrandriseren vroegh en laat,
Als den Paf-sack weyd’lijck koppert
En smetst en smult en slempt en slaapt,
Of als hy na sijn aasem gaapt,
Recht als een ruygh-ghevoeten Kroppert.
Sy hebben lust noch loof in’t lijf,
Haer hart en hooft dat is al stijf,
Haar ooghen bol doen niet dan staaren,
Haar ooren groeyen tot van smeer,
Sy kennen Godt, noch Wet, noch Leer,
Doch Bachus-feest sy vieren gaaren,
Dies sy steets buys en dorstig zijn
Van sarpe en van geyle wijn
Dees doet verhit na boelen gijlen
Daar ’t lichaam licht’lijck van ontfanckt
Veel vuyle sucht, ja leempt op kranckt,
Die ’t met veel sweets we’er uyt moet quijlen.
De Armen zijn hier meest of vry,
Want stercken dranck noch leckerny
En port haart tot gheen boose lusten,
Want die sijn kost wint in sijn sweet,
En schar-bier drinckt, en droogh-broodt eet,
Die wenscht niet meer als wel te rusten.
De grootste quelt de grootste schrick,
Want ruwen sy een ooghen-blick,
Het minste dingh dat steurt haar slapen,
Sy vreesen voor haar Rijck of Kroon,
Of datmen haar in’t bedt sal doo’n
Door list, of kracht van snoode Knapen.
Of als den Rijcken waackt en braackt,
Op dat gheen dief met list hem taackt
Syn huys-raat, kleed’ren of juweelen,
Soo leyt den Kalis bar ghepongst
En ronckt soo sorgh’loos dat het gongst:
Daar niet en is, kanmen niet steelen.
Den Rijckaart licht sijn leven krenckt,
Met sorghen leyt hy staagh en denckt
Hoe dat hy dit of dat sal winnen,
Want goedt en stopt gheen gierigheyt,
Maar als den Armen neder-leyt
Soo rust sijn lijf, sijn ziel en sinnen
Een Arm mensch, rijck van goet verstant,
Acht al de wer’lt sijn Vader-landt,
Al is hy ballingh ’s landts ghebannen,
Hy pelgrimeert in sijn ghemoedt,
Hout yder voor sijn naaste bloedt,
Zijn dat gheen rechte rijcke mannen?
Den schoenminck glat en vet besmeert
Wel louter singht en quinckeleert
Als hy het kosje maar mach winnen
De koopmans gift heef hem ghequelt,
Hy brocht hem we’er sijn sorgh’lijck ghelt:
Hoe minder goedt hoe bly’er sinnen,
Hoe meerder goedt hoe minder rust,
Dat is de Vroeden wel bewust,
Dies sy niet tijdelijcks verkiesen,
Maer houden’t al voor ebb’ en vloedt,
En recht als’t is voor Godes goedt:
Die niet eygent, kan niet verliesen.
De schat die men met moey’t verwerft,
Met sorgh besit, met droefheydt derft,
Kan menich mensch tot quaat bekoren,
Tot dieft’, onkuysheydt, twist of nijdt,
De edele ziel en duure tijdt,
Laas! minst gheacht, werd meest verloren.
De doot met bitt’re smarte quelt
De Rijcke, die sijn harte stelt
Op der fortuyne blinde gaven,
Geen bangher vrees is hun, als ’t graf:
Maar den beroyden naackt en laf
Dien is de doot een soete haven.
d’Armoede is ghewisselijck
Van zonden arm, van deughden rijck,
Die is sy alder eeren waardigh.
Socrates maackt sy vroom en vroet,
Epaminonde strengh van moedt,
Homero kunst-rijck en goet-aardigh.
Attalus en Diocletiaan
Zijn willigh uyt haar rijck ghegaan
In onghedwonghen Arremoede.
De Armen levne onbenijdt;
De Vorsten zijn niet sonder strijdt
Noch sonder vrees of quaat vermoeden.
De Trotsers die met macht ghebi’en
Zijn al gheen deghelijcke li’en,
Hoe wel sy’t veel-tijds willen blijcken;
De grootste dief, o’t is te snoot!
Verwijst de kleynste vaak ter doot:
Wat oordel wil daar God op strijken?
Doch die in weelden is gewent
En plots bedoven in ellent,
Laas! met veel broodeloose buyken,
En sijn ellende morrend’ draaght,
En over Goon en menschen klaaght,
Die kan sijn armoed’ wel misbruicken.
Klare. — Ick heb u reden uytgehoort
En wel gelet op yder woort,
Dat nagedocht, en heb bevonden
Het selve vol welsprekentheyt:
Doch ’t is meer schoon als waar geseyt,
Want rijckdom, lief en teelt geen sonden.
De Hemel-vooght, die al wat leeft
Den adem, kracht en voedsel geeft,
Houdy die niet voor d’alderrijckste?
Is rijckdom dan van sulcker aart,
Dat sy de snoode sonde baart,
Hoe blijft God dan de deuchdelijkste?
Die alles heeft wat hy begeert,
Die niet en siet dat hy ontbeert,
Die moet vernoeght in vrede leven,
So hy sijn selfs en Gode kent
En danckbaar lof den Gever sent:
Wat quaat kan sulck de rijckdom geven?
De rijcke van sijn overvloed
Zijn mind’re even naasten voed
Die hy sijn milde hand gaat bieden:
En geeft eer hun den honger praamt,
Eer sy om broot veylen haar schaamt,
Zijn dat geen God-gelijcke lieden?
Die de verarmde Weesen swack
En wed’wen stijf van ongemack,le
Haar kommers-noot met hulp versoeten
Die den beroofden Boots-man kleet,
En so sijn overschot besteet,
Souw dat wel sonden wesen moeten?
Die lant-loopers en prachers wilt
Van ’t swerven brenght in rust en stilt
En van de troggel-sack kan trecken;
Die bedel-boeven heel verwent
Op sijnen kost tot deugden ment,
Souw dat yemand tot sonden strecken?
Die huysen en herbergen bouwt
Voor lamme lieden out en kouwt,
Of voor gequetste vremdelingen;
En haar gerack en hulp bestelt
In raat en daat met macht van gelt,
Zijn dat geen nutte goede dingen?
De man die hier geen gelt en heeft,
Die is al door dewijl hy leeft,
Sijn lof wert vande faam vergeten:
De rijck leven na haar doot,
Ten waar de schatten swaar en groot,
Men souw van Cræsus nu niet weten.
Een arm mans wijsheyd wert veracht
Maar komt een rijckert hier an macht,
An heerschappy en an gebieden,
Hy blinck van klaarheyt inde raat;
Hy soeckt voor eer-loos eygen-baat,
Het nutst en en ’t best voor land en lieden.
De armen soeken twist en kijf,
De ziel die rammelt hun in’t lijf,
Die sy in groot perijckel bringen,
’t Welck hem de rijcke wel ontsiet,
De rijcke lie’n en vechten niet,
Haar reden kan de gramschap dwinghen.
De armoe vol gebreck en noot
Maakt roovers loos en schelmen snoot,
Die de goeden knev’len en knellen,
En mennich door sijn wan-hoop groot
Moort sich self tot een tweede doot:
Laas! in de swavel-poel der hellen.
Dat ons voor eeuwigh sterven vrijt
En ziel en lijf na wensch verblijt,
Mach elck met eeren wle ontfanghen
En recht gebruycken haaf en schat
En hebben ’t ofmen’t niet en hadt,
Dat is: sijn hart daar niet anhangen.
De vromen bruyckt sijn goet altoos
Ten leven, maar de goddeloos
En wil sijn boose lust niet fnuyken:
Hy bruyckt sijn inkomst al tot quaat,
De sonden zijn, dat ghy’t verstaat,
In rijckdom niet: maar in’t misbruycken.
Roosen. — De dingen diemen sichtbaar siet,
En zijn voorseker anders niet
Alsmense neemt of kan verhand’len,
Den reynen zijn sy alle reyn,
Den sotten doen sy in’t gemeyn
Op slimme dwael-wegen wand’len.
Nu isser Rijckdom van ’t ghemoedt,
Die niet bestaat ghelt noch goedt,
Maar in ’t gherust en Godlijck leven:
Hy is de rijckste die daer leeft,
Die sich vernoeght met ’t gheen hy heeft;
Dan die is elck een niet ghegheven.
Diogenes had’s in sijn ton
De welck by wende na de son,
Als hy vernuft’liseerde schrander;
De Wereld-winner sot en slecht,
Die noemden hy der knechten knecht,
Der Vorsten dwing-landt Alexander.
Klaar. — En denckt niet dat ick laat
Cloridon om sijn staat
(Als is sy vry wat lagher)
Te kiesen tot een swagher,
O neen, mijn Troost! o neen,
Ick heb noch and’re re’en
Die my daar toe beweghen,
Dat ick meer ben geneghen
Tot mijn Endimion
Als tot u Cloridon,
Die ’k met geen goede ooghen
Kan aansien, noch ghedoghen,
Hoe seer ick my bedwingh,
Want ’t is een vreemdelingh,
Een Hovelingh daar boven,
Want komt’er uyt de Hoven?
Een Volckjen dat door-trapt,
Gheveynst en dubbelt klapt
En dat met listigheden
Haer boevery bekleden:
Of’t schoon u vrund’lijck groet,
Het spot u in’t ghemoedt,
Het sijn god’loose menschen
Die met de monde wenschen
U wel-vaart, mar het hart,
Dat vloeckt u wit en swart,
U teghenspoedt en schande:
Sy kussen vaack de handen
Met lieffelijcker feest
Van die sy haten meest.
Wanneer de Edel-lieden
Haar dienst aan yemandt bieden,
Hoe seer ’t met jonst gheschiet,
Ten is voorseecker niet
Dan om u te verrassen
En door u val te wassen;
Wy hebben uyt het Hof
Daar versche proeven of.
De Princen en de Heeren
Die eener daar vereeren
Met treflijckheyd van staat,
Sulcx dat hy met hun gaat
Ter tafel en ten eten,
Die deught wert haast vergeten,
Het loon van die weldaat
Is moorden of verraat,
Gelijck wy korts bevonden
An sommige bloet-honden.
Wee hem die hun vertrouwt.
Die eer noch eet en houwt:
Wat trouw souw sulck volck houwen
Aan haar uyt-landsche vrouwen?
Oock staat myn tegen ’t hart
Dat mijn dochter soo vart,
Gelijck als land-verdreven,
By vremde lien souw leven,
Dat in ghenade van
Een wispelturiche man
Die haar daar na mocht haten,
Ja lichtelijck verlaten
En nemen weer een aar.
Endimyon, ’t is waer,
Die is wel ouwt van jaren,
Maar satich en ervaren:
Voorts in sijn handel kloeck,
Dies ghy hem sijn versoeck
Niet af sult konne seggen:
Als ghy wilt over-legghen
Hoe minnelijck en trouw
Hy waar sijn eerste vrouw,
Dien hy verhief en eerde,
En gaf wat sy begeerde.
Mijn Heere siet dit in:
Dan doch doet ghy y sin
Ick salt niet weder-sprecken
Roosen. — Mijn vrouwe, dats een teken
Van u bescheydenheyd,
Ick hebt wel overleyt
En bender in beladen:
Doch ick vind niet geraden
Dat sy den grijsen trouwt,
Want hy is out en kouwt
En sonder soetigheden
Van prickelende leden,
Waar op de jong lien
Van weder-syden sien.
Wat souwt hier uyt gebeuren?
Mijn dochters stadich treuren,
Een leven sonder lust,
Een droefheyt sonder rust,
Een sterven sonder sterven,
Een hebben en een derven,
En dat om ’t werelts goet?
Dat ben ick niet gemoet.
Die om ’t gelts wil hier verkiesen
’t Alderbeste goet verliesen,
Dat ’s de smaak van alle dingh,
De vrede en de soete ruste,
De vrientschap en de lieve lusten,
d’Onverdeylde vereenigingh:
Hier op volgen stadich knagen,
Na-berou en droeve dagen,
Harten-leet en lang-gequel,
De twisten straf, de quade vloeken,
Het over-spel en ’t boos versoeken,
De rasery, op ’t lest de hel.
Ick wil mijn kint gaan vragen
Voor eerst haar wel-behagen,
En diese meest bemint,
Die ben ick oock gesint
Na wensch haar te doen trouwen,
Gelijck ick ben gehouwen.
Al schuylt sy onder my,
Het kiesen staat haar vry:
De rechten en de wetten
De keur an yder setten.
Vaart wel, lief, ick sal gaan
En my met haar beraan.