Moyaal, Roemer, Kackerlack, Koneraet.
En heb ick niet terstondt gehoort myn Hopmans stem?
Mijn dochter, ja wel siet, hoe schoon, hier vind ick hem,
Myn Roemert weest gegroet. Roemer. — Myn boeltje, kanjewieltje!
Heb jy myn nu niet lief? het dienst-meysje, gevielje?
Koenr. — O wat behendicheyt! o wat een heusche groet
En wat eerbiedicheyt hy an zyn liefste doet!
O wat bevallicheyt van intre! wat aardicheyt!
Moyael. — So seer niet om haar selfs als om u hooghwaardicheyt!
Kackerl. — Ay gaewe eten stracx, ick heb soo langh ghevast?
Koenr. — Ja wel het is een volck dat op malkander past.
Roemer. — Als ghy wilt, ick ben ree. Koenr. — Nu ick wil haar gaan teghen
Als of ick quam van Huys: waar is de reys gheleghen?
Moyael. — Wel Koenraat sydy daar? Koenr. — Ay lieve hoort een woort?
Moyael. — Dat deed’ ick garen; maar ick moet voor dees tijt voort.
Koenr. — Waar? Moyael. — Waar! en siedy niet den Hopman en den desen?
Koenr. — Gewisselijck ick siet, met spijt en met leetwesen,
Ghy moocht soot u ghevalt ontfanghen nu de Moor.
Roemer. — Wel waar na wachtmen nu? waarom gaan wy niet door?
Koenr. — So de beleefdheyt oyt had plaats in u, myn Heeren,
So laat my an Moyaal myn schenkingh nu vereeren
Met woorden van bescheyt. Roemer. — Ho! dat moet al wat zyn:
Ick gis datse doch is veel schoonder als de myn!
Koenr. — Ick weet niet wat het is, het dinghen salt bewijsen;
Ick houw van pocchen niet, het moet zijn selven prijsen.
Moortje komt voor den dach! Roemer. — dees kost een spaensche kluyt.
Kackerl. — Secht een vaan Delfs-enghels! Koenr. — Hoe nu, wat seyt de guyt?
Komt herwaarts Moortje! dees sy u vereert myn vrouwe.
Haar gaaf en glat aanschijn dat muechdy wel beschouwe:
Besiet een weynich doch haar lieffelijck ghelaat.
Haar fiere frische jeucht is in haer beste staat.
Roemer. — Waarachtich sy is eel! Koenr. — Wat segh gy Kackerlackje?
Wat schorter an? Het sy een rimpel of een vlackje?
En ghy Hopman Roemert! wat dunckter u toch van
Siet ghy’t nu, dit of dat, secht mangelter wat an?
Sy swijghen alle beyd’, dat is ghenoech ghepresen.
Sy schrijft goet vaerdich schrift, sy kan oock lustich lesen,
Sy handelt braaf de Luyt, sy singt heel soet Musyck.
Sy doet oock wat sy doet, sy doet het meesterlijck;
Voor een seer geestich mensch so wort sy u ghegheven
Die opghetrocken is om voor een Prins te leven
So kuys en ’tzaart is sy gemaniert, ick sech, dat
Haar zedicheyt beschaamt de Dochters van de Stadt.
Roemer. — Sy is seecker wel moy: en ginght niet na de Vasten,
Ghelijck het doet, ick vrees, ick soumer an vertasten.
Koenr. — Der geender dies u schenckt en wel vrywillich gheeft,
Die wil niet dat ghy juyst alleenich by hem leeft:
Noch alst hem komt te pas dat ghy dan and’re buyten
Om zynent wil alleen souwt voor de deure sluyten;
So honts en is hy niet: hy stelt u los en vry,
Hy roemt sick nimmer van zijn stoute vechtery!
Hy soeckt gheen yd’le eer, ghelijcken veel groot-spreeckers,
Dat niet dan Guyllen zijn, en Blaffers, en Wint-breeckers,
Die brommen met haar schandt, en toogen borst en hooft,
Waer sy gheteeckent zijn, ghehouwen en gheklooft.
Noch hy belet u niet dat ghy met eenighe Vryers
U lusten souwt voldoen, als sommighe benijers,
Maar alst u wel behaaght dat hy u een gherieft,
Ontbiedt hem, waar ghy wilt, en wanneert u ghelieft.
Roemer. — Dit is een lust te sien! en ’blijckt dat dit een knecht is!
Van een beroyden baas, myn dunkt dat dit wel slecht is.
Kackerl. — Dats waar! dat weet ick wis, en hy’t om ’tgelt niet liet
Hy leedt hem andersins met sulken pracher niet.
Koenr. — Swijcht wayfler, swijgh ghy: O ghy schuym van alle boeven,
Want na dat ghy ’tprofijt van ’tvleyen quam proeven,
So hebdy al u gheest en al u kunst gheset
Om te panlicken steets dees dolle droncken slet:
Want ick acht datmen u, met een taart, of een struyfje,
Sou kryghen waarmen wou: ’tOwerkerck om een schuyfje:
Want met een tooghje Wijns, of met een beker Bier
So soumen jagen u door Water en door Vier.
Roemer. — En wanneer gae wy voort? Moyael. — ’k Sal dese binnen leyden,
En bestellen met eenige nootlyckheyden,
Dan koom ick u strax by. Roemer. — Kackerlack ick gae vuer,
Verwacht ghy Moyaal hier, en vollicht my met huer.
Koenr. — Neen; dats behoorlyck en ’tsouw niet mogen sloeren.
Dat een Hopman by daagh sou sling’ren gaan met hoeren.
Roemer. — Wat sal ick meer seggen? het spreeckwoort is oprecht:
Sulck Man, sulck vis, sulck Meester, sulck knecht.
Kackerl. — Ha Hay. Roemer. — Hoe lachje dus? Kackerl. — Om dat ghy schempt so schrander,
Nu weer met Koenraat, en vlusjes met den Brabander,
Maar siet, daar komt Moy-aal. Roemer. — gae u gangh al voort,
Bereyt de maeltijt stracx met al zijn toebehoort.
Kackerl. — Ik gae! Moyael. — Angniet hoort hier! Angniet. — Wat ghelieft u mijn vrouwe?
Moyael. — Doet alle dingh soo wel als ick u toe vertrouwe.
Soo Vrederijck hier komt, so geeft hem goet bescheydt,
En bidt hem vriendelijck dat hy een weynich beydt,
Doch heeft hy yets te doen, of zijn orber te besorghen,
Verdachvaart hem op nieuw dan weder teghen morgen:
En wil hy daar niet an, en weyghert hy dit gants
Soo doet hem brenghen voor ten huyse des Hopmans.
Angniet. — Ick salt doen. Moyael. — Maar houwt! ’k beveel u sonderlinghen
Dat ghy de jonghe Maacht bewaart voor alle dinghen;
Op dat haar suyverheyt van niemant wert besmet,
Siet toe dat ghy een voet niet buyten ’thuys en set.
Roemer. — Nu gaan wy, het is tijdt. hoe langh suldy noch marren?
Moyael. — Gaat binnen ghy lie, of vervolcht ons van varre.