CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Derde Bedrijf — Het derde bedrijf.

neerlandés

Lucelle, Margriet, Leckerbeetje, Ascagnes.
Lucelle — Het geef my al te vreemt, ’ken weet niet wat ’t beduyt,
Dat my Ascagnes niet komt leeren op de luyt,
Gelijck hy gisteren my in ’t uytgaan wis toeseyden,
En d’uur is lang voorby die wy te saam bescheyden.

Margri. — O sekers zijn versuym is noch geen half kartier,
En had hy geen verlet, hy waar gewislijck hier.

Lucelle — ’Tis waar, Margrieta. Maar de recht verliefde sinnen
Valt het verwachten lang van dingen die sy minnen.
Waar blijfdy lieve lief? Marg. — Ick loof niet of gy spot.

Lucelle — Spotten! o neen ’tis ernst Marg. — Soo sinneloos noch sot
En kan ick nimmermeer Carponys dochter achten,
Dat sy een vreemdeling van nederen geslachten,
Veracht en onbekent, souw plaatsen in haar sin.

Lucelle — En spreeckt my meer geen quaat van ’tgeen ick bemin.
Mijn siel siet op zijn ziels volwassene hoocheden:
Dies min ick blindling niet, maar door ’tbeleyt van reden,
Die mijn zijn deucht anprijst: sulcx dat niemant als hy
Soo grooten heerschappy sal hebben over my.
Och! had ick maar ’tgeluck dat ick hem slechts mocht krijgen.
Siet hier Margriet, siet hier mijn blos vast opwaarts stijgen.
Mijn bloet bruyst in mijn lijf, mijn borst wert toegestopt.
Ick kan niet spreken. Ach! voelt hoe mijn hartje klopt.

Margri. — U aangesicht dat geeft volle getuygenissen
Van d’innerlijcke ongesteltheyt uws gewissen
Door de menichvoude verwisseling van kleur.
Maar doet al wat ghy doet heymlijck, op dat hier deur
U Vader out en kout geen mes en wert gegeven,
Dat hem afsnyd den draat van zijn geluckich leven.

Lecker. — Wel wat wil dit toch zijn, dit sta ick vast en peys,
Dat ick Ascagnes sie van d’eene ryes op reys
Soo snuyven heen ter sluyp op onse Juffers kamer
Lucelle, datje’t liet, het waar u veel bequamer
Dan dus gemeen te zijn met dese vreemde knecht.
’tEn is gelijck geen deeglijck spel; de wagen gaat niet recht.
Daarom loop ick ter schuyl ter syen vanden tooren,
Om ’t gat eens door te sien. gangs bloet koom ick te hooren
Dat hy. dan dats alliens, ick sweer’t hem by mijn sier,
Ick sel hem soo knellis duyvelen. dan nou ick sech niet mier

Ascag. — Mevrouwe syt gegroet. soo’ck langer heb gebleven
Als de gestelde tijt, ay wilt my dat vergeven.
’T quam door u Vader by. Luc. — Ick neemt garen in’t goet:
Wat kan men straffen hem die nieuwers in misdoet.
Ghy soudt u nimmer oock soo qualijck kunnen dragen,
Dat ick mijn uwer souw verstooren of beklagen;
Vermits u goede geest en wackere aardicheyt
Van al u gantsche doen, d’welck my so heeft verleyt
Dat ick betovert ben, gelijck ghy meucht bemercken,
Gelooft mijn woorden niet, maar siettet an de wercken.
Mijn sinnen zijn beroert en dwarlen vast door een,
Mijn tong kleeft an mijn mont, ick haaper in mijn reen,
Mijn hart beeft in mijn lijf en ’twil van vrese breken,
En immers moet ick nu een weynich met u spreken
Van saken die mijn self op ’t naaste aane gaan.
Wat komt mijn over? ach! het is met my gedaan.
Ick ongeluckige, wat deed’ ick oyt gebooren.

Ascag. — Ick bidde u, mijn vrouw, so’t bidden kan bekooren,
Secht my wat klaarder uyt het gene dat u let
En op u dienaar trouw een vast betrouwen set:
Die om u wel te doen souw wagen duysent levens,
Indien dat ickse had, ick schonckse alle tevens,
En eygendens’ u toe uyt grontslach van mijn hart,
Als ick u mocht daar met verlossen van u smart.
Ach help! wat hebdy dat u verru soo verwandert?
O mijn! ghy bent soo bleeck, u wesen dat verandert,
En over al breeckt uyt dat klamme koude swiet.
Sit neer, ick haar Azijn! Luc. — Ach neen, neen doet dat niet,
Maar laat my doch begaan, dat bidd’ ick u, so lange
Tot dat ick weer bekoom. ach! my is noch so bange.

Ascag. — Wel leent dan wat aan my, geeft u toch wat te vreen,
Versterckt u swacke Geest en rust u flauwe leen.

Lecker. — Wat droes! wat hoor ick hier? kan men hem so vergeten?
Foey Lucelle, foy (sus) ick moet dat grontgat weten.

Lucelle — Ick kan u langer nauw verbergen mijn verdriet
En innerlijcke pijn, vermits ghy selfs wel siet,
Hoe dat de starcke Min, so bloedich als tyrannich,
Met krachte nederdruckt mijn willen wederspannich,
Mijn plicht door het gewelt van de bevallicheen
En hoflijckheyt uws aarts, die veer boven ’tgemeen
Doorluchtich in u blinckt, soo dat ick ben gedrongen
My gants te geven op de soete sotte jongen,
Die my, ick wil of niet, doet seggen (laas!) met pijn,
Als dat ghy hebt so veel gewonnen nu op mijn,
Als minnaars oyt van lief mach eerelijck begeeren.

Ascag. — Soud u volmaacktheyt haar wel kunnen soo verneeren
Om mijn te minnen? mijn? mijn, sech ick, die daar ben
Een woeste vreemdeling van slechte huyse? en
Een die niet waardichs heeft, ick schaamt my te belijen.
Mijn Vader, arme Man, slooft in zijn visscherijen,
Mijn Moeder, goede Vrouw, die sit met kramery
En wint de schaamle kost. Hoe soudy dan op my
U oogen kunnen slaan? en dat my meer doet schricken,
Dat heeft u Vader wist, hy sloech mijn ’thooft an sticken.

Lucelle — Bruyckt sulcken redens niet mijn lief, mijn troost en vreucht,
Want liefde heeft geen wet, den eeldom spruyt uyt deucht.
’k Heb goederen genoech, dat meen ick, voor ons beyden,
Mijn vader is stock out, en sal wel haast verscheiden.
Ons schort maar lijdsaamheydt dien tijdt te dulden af,
Tot hy het eene been als ’tander heeft int graf.
En weest versekert vry dat nimmermeer de minne
Eenich veroveraar sal maken van mijn sinne,
Die meerder is als ghy. dits een besloten saak,
Indien ghy swaricheyt niet meer als ick en maak.

Ascag. — Ick waar wel onbeleeft, waar dat ick ging ontseggen
’t Geen daar veel Edelien te kost om souden leggen
Haar eygen vleys en bloet. ’tgeluck dat ghy my biedt
En soud ick waarelijck verruylen willen niet
An ’t hoochste Keyserdom of Koningrijck verheven.
Want ick wens in u dienst te sterven en te leven.

Lucelle — ’t Woortjen dat ghy daar spreeckt komt dat uyt ’s herten gront?

Ascag. — Mijn hart en tong zijn eens, noyt dacht ick dubble vont.

Maar waarom vraagdy dat? Luc. — Om dat ghy jongelingen
Soeckt eerelijcken lof uyt schandelijcke dingen:
Voornamelijcken in der reyner Maachden val,
Het welck ghy u beroemt als treflijck over al,
Niet achtend’ uwe ziel, noch de vervloeckte eeden
Op de verdoemmis van eeuw tot eeuwicheden,
Indien dat oyt u trouw of dat u jonst vergaat,
Die langer niet en duurt dan als de valsche praat,
Die men gesuykert maackt met honich-soete woorden,
Om ’tleven van de eer der Dochters te vermoorden,
Met tranen biglend’ en met een geveynst gesucht,
Die met u vruntschap stracx verstuyven in de lucht,
Soo haast als ghy de vrucht (laas!) van het licht vertrouwen
Genooten hebt en laat de Deernen droef in rouwen.

Ascag. — Ick heb vermoeden dat wien ghy ’t geluck toelecht
Om met u eens te treen in wettelijcken echt,
Dat die hem immers wel vernoecht sal kunnen houwen
Met d’eelste en de schoonst van alle aartsche vrouwen.

Lucelle — De blonde Oenon en suyvre Dido rijck,
By wiens schoonheyt ick my in ’t minste niet gelijck,
Die hebben wel versocht, doch met haar schand en schade,
De fixe trouwicheyt en ’t meyneedich verraden
Van haar versworen liefs, wiens jonst niet was dan wint.

Ascag. — Maar alle menschen zyn niet even eens gesint.
Of schoon daar een’ge zijn besmet met die gebreken,
Men moet de vromen om de boose niet versteken.
Want ick belooft u, siet, geeft mijn u rechterhant,
Uyt een verwonnen borst en by mijn goet verstant,
Dat ick u nimmer meer sal verlaten noch begeven,
Noch ongenoecht aandoen in al mijn gantsche leven.
En soo ick anders doe, so moet het Hemels vier
Mijn lichaam heel tot as en stof verbranden hier.
Eer dat ick schend’ mijn trouw die ick u nu belove,
Eer sullen ongeveynst de groot Heeren hoven,
En sal de aard de zee, eer ’tlichaam sonder pijn,
En wat onmooglijck is dat sal eer mooglijck sijn.

Lucelle — Wel aan, gedenckt altijt eer gy komt t’overtreeden
Aan u beloofde trouw met overgeven eeden
Ick weet niet wat ick u doch meer bevelen souw,
Als dat ghy mijn, o lief, oprecht zijt en getrouw.
Dat is d’eenige kroon en kransse van de Minne,
En die de Minaars doet geluckelijck verwinnen.
En tot verseekring van mijn vriendelijcke jonst,
Hoefdy geen ander proef, als dat ick sech in op ’t ronst
Met dese mijne trouw, en houttet voor waerachtich,
Dat niemant anders mijns oyt wesen sal deelachtich.
Dees kus neemt tot getuych, en tot een soet gedenck
Soo draacht dees eedle rinck die’ck u op trouwe schenck:
Waar in dat ghy sult sien gegraven en gesneden
Hoe veel de kunst vermach der geestige Goutsmeden,
Oock hoe Cupido daar sit schrylincx op een hont,
En wijst te swygen met een vinger voor de mont,
Met welck’ afbeelding dat ick heb beduyden willen
’T gunt dat van binnen staat, siet leest, getrouw en stille.

Ascag. — Mijn vrouwe, ach helaas! mijn macht is al te kranck
By de genegenheyt daar ick u met bedanck.
Ick sal die vingerling aan mijnen pinck nu steken,
Daarse geen levend’ mensch met cracht my sal afbreken,
Ten waare na mijn doot. Nu dient ons te versien,
Hoe, en wanneer, en waar ons houlijck sal geschien.

Lucelle — Gaat heen, mijn lief, gaat heen. daar is veel tijts verstreken,
T’wijl ghy hier zyt geweest. en komt my t’avont spreken
Ontrent de klocke tien, als vader is te bedt.
Wy sullen dan raatslaan, wat ’tbeste aansien het.

Ascag. — Ick kus u handen lief, vaart wel dan tot tien uyren,
Die korte tijt helaas my hondert jaar sal duyren.

Lucelle — Vaar wel, mijn Bruydegom, tot t’avont. wel hoe dus?
Het mag niet van mijn hart, komt geeft men noch een kus. Binnen.

Leckerbeetje alleen.
Ach wat heb ick gehoort? wat heb ick moeten hooren?
Och had ick door geweest, of had ick doch geen ooren.
Sy zijn t’samen getrouwt. de duyvel en de droes
Ick byt mijn keel schier of. de kop is mijn soo kroes.
Mijn Heerschip heeft de guyt genomen van de straat,
En hy vergelt de deucht met sulcken snooden daat.
Daar hy die weldaat hoort met dienst en danck te kennen
Daar is hy over uyt zijn meesters eer te schennen,
Dat in zijn eygen huys, dat an zijn eygen kint,
Sijn een’ge dochter waart, soo schoon als wel bemint.
Maar cik belooft den boef en die lichte Lucelle,
Dat ick heur allebey een spulletje sal bestelle,
Dat heur wel heugen sal. Dat kost heen na den baas
Ick sal hem lang en briet gaan doen sulcken relaas,
Dat hy hem met een streeck wel lichtelijck sel genesen
Van pocken, mocken, lempten, en wat in hem mach wesen.
Mijn miester is een quaan Turk, soo fel, ik weet niet hoe,
Ick mien gelijck een schaap. En dan voor na den Baron toe.
Want of hy den ouwe man ter vlucht quam t’ontloopen,
Soo sal de Baron en ick hem lustich t’samen stroopen
En peuluwen hem lustich of met wat ongebranden as.
Ick souwt seker niet doen, waer ’t dattet niet en was
Om dat ick de Baron zijn koken sel bewaren.
O suycker eelekaerten, hoe lustich wil ick daar varen.
Mijn tangden watren alries, mijn buyck bomt as een trom,
Ick kan soo lang niet wachten tot ick tot zijners kom.
Mijn dunckt ick proef alries de propre teneetjes.
De Lamboutjes, de kieckskens en de leckerbeetjes,
De wijnsopjes, de doopjes, de droopjes, en
Al de soete smullery, die ick niet noemen ken.
O hemelsche leckerny! o kost hoe wilje smaken.
Nou ick mach binnen gaan het avontmaal reet maken.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Angeniet — Tweede deel — HET TWEEDE DEEL.Derde bedrijf — Het derde deel, Het derde uytkomen. →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Derde Bedrijf — Het derde bedrijf.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-derde-bedrijf-het-derde-bedrijf--gerbrand-adriaensz-bredero-2decf3
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Derde Bedrijf — Het derde bedrijf.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-derde-bedrijf-het-derde-bedrijf--gerbrand-adriaensz-bredero-2decf3.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.