Angniet en Endimyon.
Myn dunckt Endimyon, dat ghy hier zijt gekomen
Alleen uyt boertens lust: doch ick hebt wel genomen,
En houd u oock te goet al wat ghy hebt geseyt,
Al ist geen waerheyt schoon, het is wel-spreckentheyt,
Ghy zijtet toch gewent, ’t zijn u gewone koutjens:
Maar toch ghy Wee’naers zijt ghemeenelijck wat stoutjens
En gaat vrypostich aan met uwe schalcke re’en,
Als of ghy seker wist der dochters sinlijckhe’en
Voor my, ghy heb gheen quaat, noch voor bedroch te sorgen,
Ick laat u min en eer tot Gys’laers en tot Borgen.
Endi. — Mijn vryigheyt is groot, doch vergeeflijck, indien
U oogen des verstants andachtich eens ansien
Mijn eenvout en mijn jonst, die y hier herwaarts dreven
Om te verrichten ’t geen dat hgy mijn hebt geschreven:
Ick waande, waarde lief, dat ghy oock voerden mijn
Van ’t selschap, om dat wy te vryer souden zijn:
Maar laas! mijn gissingh mist, dies ben ick al te druckich,
Doch mijn begeerlijckheyt is niet te min geluckich,
Dat ick u heden mach met reden doen verstaan
d’Oprechtheyt van mijn trouw’ en uwe valsche waan.
Angeniet. — ’t Geen mijn vermoeden stijft, dat ick u voor houwen:
Der mannen lichtigheyt en kan ick niet vertrouwen,
Doch wil ick van u trouw nu meerder twijfflen niet,
Door u beproefde deught en jonst die ghy mijn biet,
En die goed-daedigheyt die ghy mijn hebt bewesen:
Doch voel ick in mijn hart en achterdenckend’ vreesen
Wanneer ick over-weegh, als dat ghy zijt een man,
Daar de gestadigheyt doch niet by wonen kan.
Endi. — Het is een eygenschap in de natuur der wijven,
Dat sy gelooven licht en een vast oordeel drijven
Op tuygen licht en vals, en meest so sullen zy
De door-grondingh en peyl der dingen gaan verby
En vallen in een waen, die haar dan maakt Tyrannnen
Vande goetronsheyt en d’oprechtigheyt der mannen:
Sy kneusen dan haar eer, sy steuren voort haar rust
En doen haar ’t meeste quaat met aengename lust.
Angeniet. — Het is een ongeluck over ’t geslacht der vrouwen,
Dat sy so veel geloofs en sekerheden bouwen
Op ’t seggen vande man, die alsmer wel oplet
De loose geveynst heyt gebruyckt gelijck een wet,
Het weyflen voor sijn trouw, de schande voor ’t beloonen
Der vruntlijckheden die wy hem mewarich toonen.
Door die lichtvaardigheyt soo heb ick oock gelooft
De woorden die ghy my so dickwils bliest in ’t hooft,
Waarvan ick mijn so seer en gek’lijck liet bedelven,
Dat ick de schaduw nam voor’t eygen wesen selven.
Alsmen in ’t tijt’lijck ramp der menschen souw versien,
Men most dan nemen wech de saak waar door sy schien.
Och oft nature had de mannen stom geboren
En al de vrouwen doof, so ging’er geen verloren,
So souwer geen van al soo deerlijck zijn verleyt,
Door ’t lief-koosen des tongs en ’s mans bedriechlijckheyt.
Endi. — Ick wil ’t gemene quaat niet in mijn eygen brengen,
Noch ’t uwe met het geen van and’re niet vermengen:
Alleen so bid’ ick u, doet mijn so veel te lief
Dat ick noch andermaal herlesen mach den brief,
Waar in dat ghy mijn laest soo heftich hebt bekeven,
Op dat ick mijn onschult te kennen u mach geven,
Dat mijn onnooselheyt, goetwillich en voldoent,
U hevigheden en ons kleen verschil versoent:
Het welck sal geschien, is dat ghy wilt bevroeden
Mijn eenvoudich gemoet en u te slim vermoeden.
U achterdencken u u onverschulde vrees: Sy gheeft hem de brief.
’t Gelieft u Jofvrouw wel dat ickse noch een lees? Hy leest, ende sucht dickwils.
Angeniet spreekt.
Hoewel de waan de wil ghevoert had uyt mijn sinnen,
Om u mijn dagen meer te lieven of te minnen,
So heb ick u nochtans noyt grondelijck gehaat.
Ick eer die my bemint, en ick en wil geen quaat
Die mijn wangunstich zijn en op het hoogste tegen,
Ofschoon de misda’en mijn oock menschelijck bewegen,
Sulcx datse wel mijn jonst uytblusschen door haar kracht:
Sy hebben lijckewel doch nimmer so veel macht,
Dat sy in myn gemoet een haet sou konnen stichten,
Voor myn sachtmoedigheyt moet wraak het ancker lichten.
Ick neem u reden an als voor-spraak van uw’ saak,
Waar door dat ick u vry en gantsch onschuldigh maak:
En ick ontfangh al hier u deerlijck diep versuchten
Voor sulcke teykens daar in ’t minst is voor te duchten,
Van wien ick naderhant verkrijgen sal mijn rust,
En ghy Endimyon u lang-gewenste lust.
’t Sal in u macht wel zijn mijn slechtheyt te bedrieghen,
Maar niet in mijn geloof, dat my sal konnen liegen
U hoogh-begaefde geest, in ’t welcke is gesne’en
d’Onsterffelijcke deught met haar wel-voegenthe’en,
Die so seer van ’t gemeen in hoogheyt is verscheyden,
Als wy de gulde Son sien boven ’t aart-rijck weyden,
Of alsmen in haar gloor aenschout de silv’re Maan,
Die met haar glans verdooft de Sterren die daar staan.
Souw sick dat groot gemoet wel laten over-heeren
Van valscheyt en meyn-eet? Dat sou my waarlijck deeren!
Leeft so alst u behaagt, ’t sy leeraer van ontrouw,
Of datmen u oprecht en voor gestadich houw,
En deylt u jonsten an verscheyden jonge lieden:
Indien my eenige (geluckich) mach geschieden,
Al waart oock noch so kleen, of t’alderminste deel,
Ick sal voor u mijn jonst bewaaren in ’t geheel.
Als swoer de felle nijt mijn liefden om te spitten,
So sal niemant mijn hart, als ghy, mijn lief, besitten.
Endi. — U oordeel was te goet, ick sacht, ghy hadt geen wil
Om te gelooven om waarschijnelijck verschil:
Hoe souw u eel gemoet, so leenich als wel reck’lijck,
Soo hals-sterck blijven staan op op een vermoeden geck’lijck?
Ick wist wel dat die souw verdwijnen, also ras
Als sy in u geloof in ’t eerst geboren was.
Want die lyf-schutten, die mijn vromigheyt geleyden,
Dat zijn ter eener zijd’ al mijn oprechtigheyden
En mijn getrouwigheyt en goet aansien, daar by
Uwe bescheydenheyt en schoonheyt fris en bly
En u goede natuur so wel gemeuckt in reden
Als in volkomentheyt der zielen voltmaaktheden.
Wat souwt dees deuchden doch in ’t minste wederstaan?
Dees brochten inde vlucht u licht-gevoete waan,
Die so belegert en besprongen was van buyten
Als beschermutselt, en van binnen selver muyten.
Sy was oock niet soo haast gelicht en opgerecht,
Of sy was also haast verjaaght en ne’er gelecht.
Ghy hebt de eer des strijts, en ick het wel vernoegen,
Des sal ick my verheught met u tot vrede voegen,
Met u! die nimmermeer en sult bedroghen zijn Klor. uyt.
In de besittingh en ’t gebruyck van al het mijn:
Oock offer ick u op mijn onvermengde minne
En de gestadigheyt van mijn getrouwe sinne.
Angeniet. — Dies neyght tot u mijn ziel, indien ghy sulcx doet,
So soud ick my vernoeght voldaan in mijn gemoet.
Och daar is Kloridon, vertreckt: wat wil det wesen? Endi. binnen.
Klor. — Wat doet den licht-vink hier? Ang. — Zijt welkom uytgelesen,
Den ouden suffert komt en lemt my even staagh
Met sijn verdrietighe’en aan ’t oore alle daagh.
Och wat is ’t my een smart, dat ick om te believe
Mijn Ouders, moet mijn selfs en u, mijn Heer, ontrieven!
Mijn waardighert, mijn lief! ick was daar stracks soo gram,
Maer ick besadighde soo haast ick u vernam.
Wat walligh-acht’ger dingh mach meer de Menschen quellen
Als datmen tegen danck by eener moet versellen?
Soo veel soets als ick troost door u by-zijn gheniet,
Soo veel wan-haghens my door sijn gheselschap schiet.
Ick mach de mag’re vent in gheenerwijs ghedooghen.
Klor. — Maar waarom lijdt ghy hem gestadigh voor u ooghen?
Indien g’hem niet en wilt doch nauwelijckx mooght sien,
Soo soudy hem u huys of u by-zijn verbi’en,
Of sluyen van hem wech, en niet dus by hem harden,
Maar ick sie wel (helaas!) wat datter of sal warden:
Men spijst my vast met hoop en met verlanghen soet,
Terwijl Endimyon in’t seecker werdt ghevoet
Met Loftenis of Trouw, die ghy hem meught gaen schencken.
Angeniet. — ’t Is u ghewoone wijs het archste eerst te dencken,
O ghy wan-trouwigh Mensch! en weet ghy nog niet bet,
Op wien hebb’ ick mijn sin meer als op u gheset?
Wat Jongh-mans dat mijn zin op ’t schoonste voor-ghedraghen,
Ick hebse, om uwen’t wil, ontseyt en of-gheslaghen:
Wat houwelijck hoe groot dat ick hebb’ moghen doen,
Ick weygherdent altoos, alleen om u ’t vermoe’n
Te brenghen uyt u hooft, mijn Lievert! ach mijn Leven!
Wilt die ghedachten doch in u gheen plaatse gheven:
Al siedy dat ick schoon met yemandt staa en praat,
Denckt dat ghy in mijn hart op ’t alder-diepste staat.
Och Heer, Endimyon! een out-man vol ghebreken,
Verheught u, als ghy hem met my, u Lief, siet spreken;
Want voor de Bulle-man is yder een vervaart;
Ghelooft dan dat ick best en seeckerst’ ben bewaart:
Ghy moocht gheen beter wacht aan onse Boomgaart setten
Om’t achter-dencken en de toe-gangh te beletten;
Ja’t is een vriend’lijck mensch. maar hoe komdy soo stout
Dat ghy soo luttel mijn en hem soo veel vertrout?
Ick doe u wat ick kan in alderley manieren,
En ’t is my leet dat ick niet meerder kan versieren;
Of meendy dat mijn jonst by yder een is veyl?
Vertrouw’t mijn dat niet toe, maar wel u Hoeren geyl:
Staagh moet ick dit gheknor en dit ghepreutel hooren.
Klor. — Hoe nu mijn Waardertje! wel hoe mijn Wt-verkooren,
Wat stoordy u soo licht om een woortje van my,
Dat ick uyt liefde spreeck? Ang. — Ja secht uyt jalousy.
Klor. — De Minnaars en Koop-lie’ns al zijn sy seer verscheyden,
Sy zijn nochtans al eens in een dingh met haar beyden:
Ick neem een Juwelier heeft een kost’lijcke steen,
Hy salse daarom niet vertrouwen ellick een,
Hy salse nauwelijckx sijn waartste vriendt vertrouwen;
Hy houwtet voor een jonst dat hys’ hem laat beschouwen.
Vreest soo een Handelaar voor roover of voor dief,
De Minnaar sorcht te recht voor sijn beminde lief,
Sijn aldergrootste pandt en peerel van der aarden,
Die gheen ghelijck en heeft in schoonheydt noch in waarden.
Wel gheeftet u dan vremt, mijn alder-hooghste goedt!
Dat ick u licht vertrouw’ by een onwaardigh bloet?
Hadd’ ick u voor het braafst’ en ’t grootst’ niet gaan verkiesen,
Ick soud u alsoo haast vergeten als verliesen.
Een Gierigaart beanxt soo niet sijn anxtigh gheldt,
Als my u of-sijn, Lief! uyt ware Liefde quelt.
Hoe dick heb ick den Wl by u alleen vernomen,
En soud’ ick my dan niet ontsetten in sijn komen?
Ten waar ick ’t om u Eer of om mijn selven liet,
Het schiede lichtelijck dat ick hem noch door-stiet,
Die groote Loghenaar! die met op-rechtigheden
(Soo ’t scheen) verswoer sijn ziel met soo veel valsche eden,
Soo hy u minde, of soo hy nimmermeer mijn
Met sijne vryery sou in de weghe zijn.
Wie soeckt anders als hy my uyt u hart te putten?
Wie anders soeckt als hy ons houwelijck te schutten?
O valschert! of ghy mij met nortsche ooghen siet,
Ick sal. Ang. — Mijn Opperste! hy mint my seecker niet;
Hy komt hier om sijn lust somwijls een rijmpjen lesen,
Het zy van sijn ghedicht of wat het oock mach wesen,
Slechts om mijn tijdt-verdrijf: Wat gheef ick om den Door?
Ick sie hem liever gaan van acht’ren, als van voor.
Wat sou die Dorre-stock, die nau-ghesette Vreckert!
Ghy hebt my al verwent, ick ben te seer verleckert
Op u goet-jonstigheydt en vriendelijck bewijs
Die ick veel meer ghevoel als ick met woorden prijs.
Endimyon! ’t is waar, hy is gheswint van harsen,
Maar daar toe een Drooghist, waar uyt men nau sou parsen
Een droppel nats of twee; ’t is al vervrosen stijf,
En hy en heeft gheen lust noch leven in sijn lijf.
Ick min meer Kloridon u gheest en deeghlijckheydt
Van onse jaren, als den Grijsert om sijn rijckheydt:
Ghelijckheydt is een deught die ware vriendtschap baart
En die de zieltjens soet onendelijck vergaart.
En wat een wel-lust ist te spreken met malcander
Daar yders eyghen ziel vaart over in den ander!
Waar dat den Droomert is, daar sit hy stracx en suft,
En kleynst de dinghen met de Teems van sijn vernuft,
Hy raat en wickt het pit van d’alder-hooghste saken,
Daar de Gheleerste noyt en wisten door te raken,
Daar praat hy mijn of toe, of ick verstae of niet,
Hy neemt dat mijn daar mee een groote Eer gheschiet.
Maar ghy, mijn Koningh! spraackt my al van liever dinghen.
Och! als ick daar aan denck, ick kan my niet bedwinghen
Van schreyen; ach mijn Lief! meendy dat my niet spijt
Dat ghy my niets vertrouw’t, en daagh’lijckx dit verwijt?
Klor. — Stilt u mijn eyghen hart, mijn brave Angenete!
Ick hebbet slechts gheboert, en u niet schots verweten,
Ghy zijt my al te waard, nu drooght u traantjens af,
Het is mijn leet dat ick u oorsaack daar toe gaf.
Beweghelijcke ziel! en suldy niet op-houwen?
Angeniet. — Ghelooft my, Kloridon, ick sal gheen ander trouwen,
Zijt dat verseeckert vry en houwt u voorder stil.
Klor. — U Ouders mochten ’t u doen doen teghens u wil.
Angeniet. — Sy moghen my in als, maar daar in niet ghebieden.
Klor. — En oft u Vrienden u ghelijckelijck an-rieden?
Angeniet. — Soo sal ick doen mijn sin oft wel of qualijck gaet.
Voorslach van Vrienden lockt somwijlen oock wel quaat.
Klor. — En hebdy Angeneet met my dan gheen erbarmen?
Angeniet. — Mijn hartje krimpt van anxst, ick sterref in u armen.
Klor. — Hoe ist mijn waarste Lief? of ghy een weynich sat.
Angeniet. — Ick heb daar, och mijn Kint! sulck een hart-vangh ghehadt.
Klor. — Och dot u doch wat los. Angeniet. — Och soo; ’t sal nu wel locken,
Ghedenckt mijn Troost! op ’t gheen dat ick u heb vertrocken,
En zijt voort-aan gherust, och hart! het is soo laat;
Maar gheeft mijn noch een kus eer dat ghy verder gaat.
Klor. — Waarom mach ick, mijn Ziel! niet langher by u blyven?
Angeniet. — Och of mijn Moeder quam, sy sou soo dapper kyven.
Vaart wel mijn Kloridon, wel komdy niet we’er-om?
Soo wacht soo langh tot ick by u, mijn Eyghen, kom.
Adieu myn Engheltje! tot langher niet als morghen.
Klor. — Vaart wel, mijn Waarste, ach! ick blijf in duysent sorghen.