Writsert en Coenraedt.
Wat staat my nu te doen? ay mijn! ick siese nieuwers,
Waar dat ick loop of kijck: en immers is sy yewers.
Wat sal ick dese steech of ghene straat in slaan?
Of sal ick nae de brugh of nae het waater gaan?
Ick weet niet hoe ick wil; dus stont ick noyt mijn daghen;
Sy is de nuwendijck of de kolck ingheslagen.
Sy is waar datse is, s’is buyten mijn ghesicht;
Sy sal my hoop ick eens noch komen in het licht.
Ach wtstekende Maacht! die mijn dus doet verdwalen,
Souw selfs de schoonheyt self by u wel kunnen haalen?
Ick weet niet watse souw, het schoonst dat my verscheen
En ’t suyverlijckst wel eer, dat is nu maar ghemeen!
O ytghenomen beeldt! met wat vermoghen krachten
Zo wentelt, weldt, en woelt u schoonheyt mijn ghedachten,
Ten was gheen schoonheyt, dat ick eerst voor schoonheyt hiel:
U schoonheyt ongemeen is alder schoonheyts Siel,
Met wat bevallicheyt zijt ghy int ooch ghecropen?
Koenr. — Wel desen heeft al mee van’t selfste sop ghesopen!
Writsert. — O dien oude draf-sack! Koenr. — O desen is soo tjats
So ’t Ritsert deedt om ’t jocks, hy salt wel doen om twats!
Het moeytme van mijn Heer, en ’tis oock te beklaghen,
Dat al zijn kind’ren haar soo onghereghelt draghen:
Want d’outste die is gayl, en op een hoer versot,
En dese jongen loopt van kuf, van kot in kot.
Writsert. — Foey, dat dien saggelaar my daar juyst most ghemoeten,
Had ick doch doorgesnapt sonder hem eens te groeten
So hadt ick dat ghelel so langhe niet ghehoort:
Ick wedt hy hondertmael verhalen mocht een woort,
Ick stondt vast in mijn selfs verstuert en parlementen
Om dat myn oudt Oom daar soo langhe stont en drenten.
Wel hier cont Koenraat, siet, Godt geef u goeden dach!
Koenr. — En ick wensch u myn Heer al watmen wenschen mach:
Wel hoe drul-oortje dus? hoe dus verbaast van wesen,
En pruetelt binnens monts, ist van vruecht oft van vresen?
Van waar koomdy so snel, en siet dus droef en wreet?
Writsert. — Ghy vraachtme Koenraat, dat ick selve niet en weet;
Ick weet niet wat ick weet, ick soumen niet vermeten
Te weten dat ick weet of ick oyt heb gheweten:
Ick weet niet of ick sit, ick weet niet of ick sta,
’k Weet niet van waar ick koom, veel min waar dat ick ga,
So harssen-loos ben ick, doort rasen van myn sinnen,
Door d’onghebondenheyt van myn te dolle minne.
Gedenckt u Koenraat wel, dat ick u dikmaals brocht
In ons Packhuys; daar ick u menichmaal bedocht
Met roockte Salmen, en met heele korven vyghen,
Met Brooden Suyckers, en wat ick meer kon krijghen:
En vulden ick u niet een anckertje met wijn
Nu lestent, doenent wy tot uwent souden zyn?
En sloockent in een Mandt, die met Hoy ghedeckt was,
My Vader peyldent, hy docht dattet gheleckt was.
Ghelyck als Jasper Buur, die een moy hallif Aam
Rhynsche Wijn in ley, (teghen zyn Vrouw haar Kraam)
Die de Maartens en knechts allengsjens uyt lickten:
En so hy eens met kracht het vatten en wickten
Hoe veel der noch mocht zyn: hy tilt so stijf an ’t vat
So dat hy met de start lustich op zyn gat.
So gingh oock met de Man van onse Kniertje Louwen,
Die met zijn halfvat bier docht kerremis te houwen:
Maar Knier was hem te gauw, sy dronck voor tijdt-verdrijf
En lurckten so langh, tot zyt hadt in haar lijf;
Op Sinte Kermis kreech de Man zijn beste vrienden:
Hy nam een groote pot, die hy vol tappen miende:
Hy licht de pottaart op, en hy klopt uyt het vat
De dueffick, en stopt zyn duym int lege gat.
Koenr. — Maar Writsert watje seght: ick kanne niet bedwinghen
Van lacchen, dats een klucht! o Menschen! watte dinghen,
Het is te wonder soet: ick hebbet noyt ghehoort.
Writsert. — Al mallicheyt ghenoech, luystert in aernst voort:
Kreech ick niet van ’t Kantoir uyt doosen en uyt laaden
Konfyten ingeleyd, en veelderley Suckaden?
En statet u niet voor dat ghy doen dickwils sey:
O Writsert oft gheviel dat ghy u sinnen ley
Op Dochter, Vrouw of Weeuw, ghy moocht my wel gheloven,
Ick souw om uwent wil als voor myn selven sloven.
Dit hebdy my belooft, betoont nu wie ghy zyt,
’k Sal op een hoedt niet sien, ist dat ghy wel bedijt;
Ghy bent seker soo eel om yemants woort te houwen,
Als ick niemant vant gilt sou konnen toebetrouwen
Stelt nu de macht int werck van u welsprekens kunst,
So langh tot ghy verkrijcht myn alderliefste gunst,
Wiens schoonheyt uyt haar selfs natuurlijck is ghebooren,
Niet met quacksalvery, noch dranckjes van Doctoren.
Ghelijck sommighe luy, die so hebben gheklieckt
Om schoon en moy te zyn, dat zy nu zijn vol sieckt,
Vol quellings, en vol fluyms, waardoor dat zy verwerven
Een leven sonder lust, en sterven sonder sterven:
Recht als de Bliek-vyst, die daat gist’ren achter sat,
Die om dit nuwe snofs-wit so veel rommelinghs at,
Van Boeckweyt, Gort en Krijt, en watter te koope was,
Nu gaatse, goede Meydt, of haar peeckel ontloope was:
Dan klaachtse voor haar hart, dat wijstse voor haar Borst,
Ach Moertje seydse lest: daer leydt myn sulcken korst,
Met vielse op haer buyck en gaf drie groote kreeten:
Doen sprackse overluydt, ’k sal myn leven niet eten
Dat ongesonde tuych van onbereyde spijs,
Van raeuw Taruwe graan, van Haver, Garst, of Rijs,
Van sant, van turf, van as, van koolle noch koolstruycken,
Ick sal in alle dingh myn ouwers raat gebruycken.
Ick kander oock een deel die heele grootte lappen
Van wolle laaken uyt haar rock en Huycken kappen:
Vondense de schuurmanckt met d’ooly-doecken staen,
Hoe souw dat volck dan wel in grasduynen gaen!
Die Rijcke luy’er kluer die staater mennich duur,
Ick laat de Joffers staan, die swack zyn van natuur:
Maar siet de Dienst-meysjes, die starcke schoncken hadde,
Die siender uyt, of s’uyt een gieter ghedroncken hadde,
De Vrouw die is wel dol, de Dochter is wel geck,
Die voor een schoonheyt hout dat jammerlijck ghebreck!
En isset niet met Godt hartneckelijck ghestreden,
Wanneer men niet vernoecht, en maact and’re schoonheden
Als ons zyn wijsheyt gaf? Sy toonen met die schijn
Hoe ondanckbaar, hoe slecht van oordeel datse zyn.
De Moeders zyn wel sot die hare kleene kind’ren
So rijghen, dat sy haar het wassen gants vermind’ren,
En dringhen ’t teere wicht in een ghebootste lyf
Van blick of loodt benaydt in harde steecksel stijf,
Daar gaan de wichters in benepen en ghespannen,
En werden nimmermeer volwasse kloecke mannen.
Wert hier een Dochter nu wat poeslich vet en blos
Die dunckt haar te zijn nut in’t Leger voor een Tros.
Koenr. — En lief, is sy schoon? Writs. — Ja Koenraat so volcomen!
Dat nuwe schoonheyt heeft haar aansicht aanghenomen,
Sy heeft een eyghen verf die niet is gheblancket:
Haar lichaams stal is fray, niet rangh, noch niet te vet.
Koenr. — Hoe out? Writs. — Na datse scheen aan’t wesen of bedaaren
So is sy out haar ses of achthien Jaaren.
Koenr. — Int bloemeken van haar tijt! Writs. — Siet Koenraet dat je maakt
Dat ghyse lock met list, em met gheweldt haar schaakt;
Bedenckter u eens op, hoe ghyse sult bepraaten
En stommelt u bedrock nu wacker wt de gaaten:
Bedriechtse met een vondt en levertse an my,
Ick wil dat ghyse brenght het sy oock hoe het sy.
Koenr. — O! wat besluyt dit? sonder sich te bevraagen;
Secht my wiens dochter ist, of wien zijn toch haar maaghen?
Writs. — Dat weet ick niet. Koenr. — Dats vreemt! hoe ist dan datse hiet?
Van waar isse? waar woontse? Writs. — dat weet ick niet.
Koenr. — Waar hebdyse ghesien? of waar quam sy u teghen?
Geeft mijn doch wat bescheyts? Writs. — Op straat hier onderwegen.
Koenr. — Waar bleefse toen int lest? waar gingse? Writs. — Dat weet God.
En ick en wetet niet, dat maakt mijn dol en sot.
Koenr. — Hoe so? Writs. — Maar vraagje dat? soo ick na haar was gaande
So ontmoet my Jan Kray, mijn noom die hiel my staande,
Ick sweerje dat ick hem niet met mijn ooghen sach
In een heel hallef jaar, als juyst op desen dach
Doen ick hem alderlest wel moghen hadt ontbeeren.
Koenr. — Wel gingje niet weerom? Writs. — Ick dorst niet ommekeeren.
Hy was mijn op het lijf, eer ick het sach of wist,
Ick hadde anders in een steeghjen eens ghepist:
Den schudde-bil, die sprack al stamerend’ met lispen
Wel hoe bocht-jachtje dus? Dit moet ick u berispen.
Hoo dus wilt-weyich? ha! wat sinje voor een knecht
Sech u vaer dat ick ben gheroepen voor het recht,
En stae op Schepens rol, en dat hy teghen morghen
My eenen Advokaat en voorsprack moet besorghen:
Dit was telckens wee an en duurde sonder endt.
Hy gingh, ick sach, ick liep vast hier en daer ontrendt,
Maar vont haar nieuwers niet. Koenr. — moglijck oft die persoon is
Die duer Kackerlackje Moyaeltjen angheboon is.
Writs. — O bloedt waar machse zijn? Koenr. — En wasser niemant by
Die haar bewaarden of gheleyden an haar sy?
Writs. — Ja Kackerlack die guydt, die volchde haare schreede.
Koenr. — ’k Heb nu verslachs genoech. die selfste meen ick meede.
Writs. — Spotje metme! hoe ist? Koenr. — Ick meen dien oock voorwaer.
Writs. — Kundyse Koenraet? segt, en waar soo zaachdy haar?
Koenr. — ’k Hebse gesien, ick kent; en weet waar sy ontrent is.
Writs. — Ach! Koenraet wat ick hoor! ist waar dats u beknet is?
Koenr. — Ick kense, en ick weet waar dat sy haar onthouwt:
Want s’is gebracht vereert, en in Moy-aals ghewouwt
Writs. — Wien is soo rijck van macht, die sulcken personagie
Kan sluyten wt zijn hart en schencken voor schenckagie?
Koenr. — Den Hopman Roemer is ’t. en die heeftse soo koel
Geschoncken en ghestuurt u broeder Ritsaarts boel.
Writs. — Ach broeder lief! ick merck alleen uyt dese deelen
Van dit verhaal, dat ghy een droeve rol sult spelen.
Koenr. — Maar weetje wat u broer zijn vereeringh is?
Writs. — Wel wat, secht dat, ick bidt? Koenr. — Een verrompelde Mooris
Writs. — Wat is mijn broer so sot, dat hy sou durven dencken
Een soo mismaackten mensch by sulcken beeldt te schencken?
By sulcken creatuur! soo kan ick wel bevroen,
Dat hy te laach leyt, en daar niet op sal doen.
Seker die yemants hart met gifte soeckt te stelen,
Die moet niet gierich zijn, maar moet de gilde spelen.
Wel Koentjen, ick wist noyt dat ons Moy-aal soo naar
Woonachtich, noch dat sy ons nae ghebuure waar:
Want ick en hebber noyt in ’t minsten af vernomen,
Hoe nae is sy hier oock eerst metter woon ghekomen?
Koenr. — Sy heefter wel gewoont ontrent een maant oft thien.
Writs. — Wel dat is seker vreemt, ick hebber noyt ghesien:
Maar is sy doch soo schoon ghelijck sy wert ghepresen?
Koenr. — Jase waarlijck! Writs. — Maar niet ten aensien van desen.
Koenr. — Daats wat anders. Writs. — Dats waar mijn aldertrouste vrient,
Ick bid u doet u best dat ghyse my verliendt.
Koenr. — Dat wil ick gaaren doen wt minnelijcker harten,
Ghelieft u oock yets meer? Writs. — Waar heen? Koenr. — ’tHuys om de swarte
Te brengen aan Moy-aal, ghelijck u broer beval.
Writs. — Gheluckige Mooris, die salich wesen sal.
Koenr. — Waarom doch? Writs. — Maar daarom: om dat sy alle daghen
By haar sal zijn in huys, en nae haar wel behaghen
Verklaaren haar ghesicht in d’ooghen van de Son
Die met haar flonckeringh mijn Sieltje soo verwon:
En sal sy niet altijt haar moghen sien en spreken
In kamer en vertreck? en ’s nachts onder de deken
Sacht slapen an haar zy? Koenr. — Wat souwt zijn of ghy waart
Soo salich en so rijck ghy hier verklaart?
Writs. — Wat middel of wat raat soudy hier toe toch vinne?
Koenr. — Maar dat ghy eens aanschoot het kleedt vande swartinne!
Writs. — Hoe, haar kleedt? wel hoe voort? Koenr. — Dan souden wy met roet,
Met lijmswart, of met tuych van eenich ander goet
Besmeeren ’t aengesicht, en uwe hande beyde.
Writs. — En dan? Koenr. — En dan sal ick u in haar plaats ginder leyde.
Writs. — Wel; dat gaat noch seer wel. Koenr. — En zijnde daar geleyt
Sal ick een reden van u broers gheneghenteheyt
Vertoonen aan Moy-aal, met stuypen en met nijghen.
Maar wat ghy hoort en siet gy moet altoos stil-swijghen.
Writs. — En soricht niet ick salt beschicken inder daat.
Koenr. — O wat gheleghentheyt sich voor u mercken laat;
Ghy sult dan vryelijck daar moghen met haar spelen,
En stormen, en kussen, en stoeyen, stroocken, streelen,
En slapen neffens haar, van niemant niet bekent,
Want wie souw dan vermoen yet anders of ghy bent
De Mooris van u broer? Writs. — My is in al mijn leven
Van geenich mensch die leeft soo goeden raat ghegheven!
Komt gae wy al ons best, en vaerdich my anschiet
Haar kleedt. Koenr. — Ick secht in spel, binje mal? ick mient niet.
Writs. — Wat duyvel mueghdy dan de geck met mijn so scheren?
Koenr. — Weetje wel 't is verboon by klock-slach vande Heeren
Dat niemant wie hy sy mach loopen meer voor mom
By nacht nochte by daagh? Writs. — Wat daar geef ick niet om.
Komt gae wy slechts maar duer. Koenr. — Ghy sultet u beklaghen!
Writs. — Dat ben ick wel ghetroost. Koenr. — Oft qualijck quam te slaghen,
Hoe bangh soumen dan sien? Writs. — Laat mijn daar met begaen.
Koenr. — Het spijtmen in mijn hart dat ickt u heb gheraen:
Want soo 't blat ommeslaat, datmen u quam te kennen
Of eenich bordeel-brock zijn handen quam te schennen
Aan u persoon, of goedt, u Vader souw mijn straf
Doen gees'len, om dat ick die snoode raat u gaf:
Oock wroecht my het gemoedt aan dese schelmerije.
Writs. — Wel, is dat schelmerij, datmen die valsche prije
De hoeren eens bedriecht? hoe slechtjes sydy noch,
En siedy niet hoe sy steets omgaan met bedroch?
Wat lief en soet gelaat dat sy aan yeder toonen?
En hoe sy noch in 't lest haar lieve liefjes loonen?
Dat weet en sietmen wel aan Jan rap en zijn maat,
En aande ghene die treck-beenen by de straat.
En an sommighe mans die haer vrouwtjes bedurven,
In voeghen dat sy zijn ellendich noch gesturven!
Wat zijn de hoeren meer als fenijn voor de jeucht
En putten des bederfs, en pesten van de deucht?
Ick ach de man wel groot die haarlie van ghelijcken
Met vuylheyt en bedroch kan schandelijck uytstrijcken.
En oft ten quaatsten quam, dattet heel qualijck voer;
Wat souwmen seggen? niet, men weet wel 'tis een hoer;
Sy moet de Jongman eerst eens hebben uytghestreken
Dat hy rechtvaardelijck hem dus heeft moeten wreken.
Koenr. — Indien ghy so besluyt 'k sal behulpich zijn;
Maar lecht doch naderhant de schult dan niet op mijn.
Writs. — Neen ick verseeckert u, ick wilt, volcht myn ghebieden.
Koenr. — Wel alst u soo ghevalt u wille sal gheschieden.
Eynde van het tweede bedrijf.