Baron en Lucelle.
Baron. — Ick bidt u, vrouwelijn, dat ghy niet vreemt en vijnt
Indien men totter doot sich uytmergelt en pijnt
Door ’tonkeerlijck gewelt der meer als sonderheden
Des Goddelijcken glants van u volmaackte leden,
Daar mijn te keurigh oog eerst hongerig op viel,
Maar meest verwan mijn hart de deugde van u ziel:
Waar met den Hemel u verciert heeft overdadich.
Ick ben gedwongen door mijn lijden ongenadich
Te vollegen het spoor des genen die ghewont
Is van een Scorpioen of van een dollen hont,
Dewelcke niet en kan gesontheyts kracht erlangen,
Als door de geen van wien hy’t gift eerst heeft ontfangen.
Daarom, o schoone maacht, de wonden doch geneest
Die ghy gheschoten hebt in’t binnenst van mijn geest,
Want ander hulpt en raat en vind’ ick in geen boecken.
Mijn doot en leven is alleen by u te soecken,
Door ’t goed’ of quade kruyt van’t woortje ja of neen,
Met vrundelijck bescheyt en antwoort op het geen
Dat u Heer Vader heeft verklaart van mijnen’t wegen.
Doch eer dat ghy’t uytstelt, als voor u niet gelegen,
Soo bidt ick ernstelijck: erlegt in u gemoet,
Wien dat ghy u onthout, en wat ghy my al doet.
Siet hoe ick selfs mijn selfs mijn selven heb ontstolen
En u genadicheyt mijn selven gantsch bevolen.
Doch wildy niemant dan die juyst geheel is waart
U deuchts hoochvaardicheyt? g’en vint hem opter aardt.
Maar sydy een belust u trouwste slaaf ’t aanschouwen?
Siet hier siedy hem staan, o pronck van alle Vrouwen,
Hy smeeckt u goetheyt an. sijn bidden eens verhoort,
En geeft zijn harte hoop slechs met een gunstich woort.
Lucelle tot de Baron.
’t Is ongetwijffelt Heer, dat ons huys en wy souwen
Door u ghe-eert zijn, dies ben ick aen u gehouwen,
Mits die seltsame jonst die my van u geschiet.
Ghy weet wel dat ick sta noch onder het gebiet
Mijn Vaders lief en waart en dat my daar beneven
Met allen niet en voegt hier antwoort op te geven,
Door dien ick willeloos myselven noch bevijn
Of heb ick een’ge wil, hangt heel an de zijn
En die, geloof ick vast, sey’d hy u wel voor desen,
Dien moogdy, soo ghy wilt, genoech u laten wesen.
Ick bid’ u voor ditmaal en spreecker niet meer van,
En doet u selven moeyt, noch my geen quelling an.
Vaart wel mijn Heer, ick ga.