Ha! Amstels pronksieraat,
Het droevig Wezop gaat
Met tranen in zyn oogen,
In zwarten rouw gekleed,
Om dat het tot zyn leet,
Moet dulden en gedogen;
Dat, Schoone! uw gezicht
Den Amstelstroom verlicht,
En ’t Gein laat zonder luister:
Het doet niet dan het klaagt,
En noemt, hoe schoon het daagt,
Zig, zonder u, gansch duister.
Hier rust de Vlieger, die wel eer door zyn penceelen,
Om prys streed met Natuur, op doeken en paneelen;
En door zyn yver en natuurdrift aangevoert,
De Lasterzieke Nyd, de lippen heeft gesnoert.
Deez’ Sark houd wel zyn Lyk, maar niet zyn lof gesloten;
Die op de tongen zweeft van al de Konstgenoten.
De Vlieger nam in ’t end de vlucht
Uit dees benaauwde lucht.