CADA PIEZA VIVE EN UNA DIRECCIÓN · NADA VIVE EN UNA SOLA SALA  

PoetósferaLa BibliotecaGerbrand Adriaensz. Bredero

Gerbrand Adriaensz. Bredero · Barroco

Het daghet uyt den Oosten — TWEEDE FRAGMENT.

neerlandés

Margriet, met haer beyde Staet-dochteren.

Konstrijcke strael-Fonteyn, hoe langsaem of hoe loom,
Doch dartel krult de staert van u slangwyse stroom!
Dees water-beecken soo van lauwe tranen springen,
Die nu soo swierend langs mijn roose wangen dringen,
En banen daer een wech van schoorloos slibrigh spoor.
Ach! hoe verlept en doof is ’t glantsich gloeyend’ gloor,
Dat op mijn lipjens root als kersjens plach te proncken!
Och ! oogen, wat’righ droef, hoe siedy dus verdroncken?
Ach! wangelatich mensch van onghedaen aenschijn,
Waer is die stemmicheydt die in u plach te sijn?
Ach! dat mijn Vechthart mocht in dese staet aenschouwen,
Souw hy hem kunnen wel van schreyen oock onthouwen?
Neen dat gheloof ick niet: of moghelijck souw hy
Verschooten vluchten wech, want selfs ick schrick voor my,
Als ick my spiegel in de Christalijne glasen;
Hoe souw een ander hem dan niet voor my verbasen!
Ach, lusteloos gemoet! hoe ongereddert leyt
Dit hulsel nu verschrickt, versloryt, en verspreyt!
Ick wil my toyen op met kostelijcke ghesmyde,
Want heerelijck gewaed van schoone sachte syde
Verciert de frisheyt van de wel geschapen leen.
Nu dondert jachtich op, versturve sinlijckheen,
En neemt u heerschappy, want van het lieflijck minne
Is reynicheydt voor al een lieve gheselinne.
Komt heir mijn goude kam, leckt dit goud-dradig hayr
Ick doop dees’ dunne dweyl in dit stil waeter klaer
Daer men de steentjes op de bodem wel kan tellen.
Mijn aensicht, dunckt my nu, begint sich te verstellen,
De schoonheydt die verrijst; wat soo, dat ’s d’oude slach!
Och, Vechthart! dat ghy nu dit schoone wesen sach,
Het souw sijn jongh ghemoet tot minnen haest bekooren.
Ach, ick vergeckte Maeght, hoe laet ick my verdooren
Van eyghen liefde en van het pluymstrijcken vals
Wel is dit aensicht, noch dees swaen-witten hals
Noch jonst, noch eer, noch trouw in ’t minste dan meer waerdich?
Ja sy gewisselijck, ’t is billick, ’t is rechtvaedich
Dat meenich Eelman prijst voor goddelijck in mijn
Dese volmaecktheen die my toegeheyligt zijn.
Nu vlecht een Cranselijn van wit en roode roosjens,
Van Venckel en van Tijm, van bruyn en blancke sloosjes,
Van paersche Vyolet, van sprenckeld Angelier:
Ick acht geen Turcksche Tulp noch Keysers Kroone dier,
Daer de bloem-gecken dwaes soo veel gelts aen verquissen.
Ick hou een Leely wit of dubbelde Nartsissen
Al veel reuck-rijcker, en veel schoonder in het oogh;
Doch ’t oordeel van de mensch die heft ten Hemel hoogh
De dingen die natuur op Aerde minst mach sennen
Doch den verstandelaer kan schoonicheydt erkennen
In ’t geen de miente man door quae gewoonte braeckt,
Die siet dat Godt elck ding hoog-prijslijck heeft gemaeckt.
Wat! moeyt Margriete haer nu met Philosophye?
’t Leeraren voeght haer niet, maer wel de vryeryen.
Hoe komt dat ick mijn tijt dan reuckeloos verquis?
Och! daer verschijnt mijn sinn’ de schoone beeltenis
Van mijn volmaeckte lief, in eeren seer verheven.
Ay, wel-ghebooren Heldt! ay, wortel van mijn leven!
Ach, leven van mijn Ziel! Ick hebb’ geen ander vrees,
Geen ander sorg, noch angst, geen twijffeling, als dees,
Te weten: dat ghy lief met vast beslooten sinnen
Een ander hertlijck lieft en my niet kunt beminnen.
Komt herwaarts, Maeghden houw! haelt de Harp en de Luyt,
En speelt dees fantasy my doch ten hoofden uyt,
En ghy, mijn maerte singt mijn lieve leyde klagen,
Die ick selfs hebb’ gemaeckt mijn Vechthart te behagen.

Claertjen singht, op de Stemme: Si tanto Gratiosa.

Lof, Moeder van de Minne, enz.

Mijn vrouwe, met verlof dat ick my gae verstouten:
Mijn goe jonst dragend’hart sou garen nu wat kouten
Yets heymelijcx met u, soo ’t u niet lastich viel.

Margarit. — Spreeckt op soo onbeschroomt als teghen uwe ziel
Ist van u, of van my; maer ist van ander lieden,
Mijn eerbaerheydt en voeght dan ’t oore niet te bieden
Aen achterklap of smaet, een leelijck schendig dingh.

Claertjen. — Het is van u, me-Vrouw: de schoone Jonghelingh,
Den vromen Vechthart aen wiens heusheyt, jonst of trouwe
Ick niet en twijffel, maer my wel versekert houwe,
Dan ’t veel-hoofdige Beest dat lastert met op-spraeck
U vrye ommegang en eerelijck vermaeck,
Dat ghy ghehanthaeft t’saem hebt ettelijcke jaren;
Het geen het swetset meer, schaem ick u te verklaren,
Alsoo ’t de reynicheydt volkomen tegen-strijdt.

Margarit. — Hoe wordt de vrome deucht vervollight van de Nijt!
Kan mijn onnooselheydt en mijn onstrafbaer leven
Voor het gemeene volck dan geen ontschulding geven?
Neen, neen, ick lochen niet dat ick hem seer bemin,
Doch met een kuys ghemoet en met een suyvre sin.
Wat schaet het dat wy t’saem in eerbaerheydt verkeeren?
Moet my daerom het slijm van ’t volck dus onteeren?
Wat icker, of wat droes heeft my dees schand ghesmeet?
Wat icker of wat droes doet my dit herten leet?
O ghy, verdoemde Nijt, die steets met qua gewenten
U dorst blust met fenijn, u honger met serpenten:
O ghy, verdoemde Nijt, Beulinne van de peys,
Die suyght des menschen bloed, die slindt des menschen vleysch,
Hert-knaegster wreet en wrang, met u ghetaende wangen,
Met u katte-ghesicht, met piepende Slanghen,
Met u venijnigh hayr, afgrijsslijcke swart,
Met u wrytend ghemoet en met u wrockigh hart,
Met u gerimpelt vel, met u verdrooghde Borsten,
Die ’t Helsche spoock bevreest niet eens aenschouwen dorsten,
Hoe komdy soo verbaest ghestoven uyt de Hel?
Of ginght my, arme Maeght, eylacy! al te wel?
Eylacy! om mijn vreucht soo sydy nu aen ’t rasen
En hebt u fel vergift de menschen ingeblasen;
Vermaledijt ghespuys, wat schaet u mijn geluck?
Vermaledijt ghespuys, wat baet u doch mijn druck?
O groote goede God, sal ick ’t aen yemandt klagen?
Ick klaeght misschien de geen, die ’t mogelijck sal behagen.
Ghelijck ach! leyder! veel ter werrelt nu gheschiet,
Dat men sijn jammer klaeght aen die daer vreucht aensiet
Klaeghers sijn vriendloos, dies lijd’ ick ’t met verduldicheyt;
Mijn hert, mijn lief en Godt, die weten mijn onschuldicheydt.

Claertjen. — Al is de loghen flux en schichtich, snel te voet,
Sy grijpt terstont geen stadt in het oprecht ghemoet.

Margriet. — Maer by ’t eerloose hert, ghewent tot eer te rooven,
Daer reyckt haer stracx de handt het quaet en licht ghelooven,
Dies vindt men over al betichting, quade lof,
Die ’t water van de zee niemant kan spoelen of,
Want elck die bemindt de waerschijnende loogen.

Claertjen. — Die lichtelijck ghelooft, werdt lichtelijck bedrooghen;
Want Vals-hart dicht het quaet by wylen uyt zijn hooft.

Fytjen. — ’t Is billigh dat men siet, dat men dat oock ghelooft,
Al ist goed inder daet, het wordt voor quaet genomen.

Margriet. — Ach! sal mijn Vechthart dan hier nimmer mogen komen
Om ’t sotte vollick, dat soo harssen-loos en vremdt
Al ’t dwarlen van ’t verstant vaeck radeloos toe-stemdt?
Of soudt ghy wel soo snoot u selven dit verbooghen?
Soo raed ick, Vechthart, u te blyven uyt mijn ooghen
Met u valsch, aenghesicht, soo vriendelijck vermomt.
Missaeckt my, Claertjen, ’t eerst als Vechthart weder komt
En stiert den droch van hier: hout hem ten minste buyten,
Neen, dochter, doet het niet: Wat sal ick doch besluyten?
Ick weet niet hoe ick wil, ick weet niet wat ick segh,
Mijn reden en mijn raet sijn te gelijcken wegh;
Nu ben ick weer van sin dat ghy hem sult inlaten.
Een eerlijck hert en kreunt sich niet aen yemants praten.

Claertjen. — Me-vrouwe, luyster! tsus! want hebb’ ick wel gehoort,
So staet u waerde lief en neuryt aen de poort. Sy luysteren t’samen,

G.A. BREDERODE.

Sigue explorando

Por su autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero · 35 piezas más en la casa
Dónde vive
La Biblioteca

← Het daghet uyt den Oosten — HET DAGHET UYT HET OOSTENPræludium ofte voor-spel →

Expediente

Autor
Gerbrand Adriaensz. Bredero
Título
Het daghet uyt den Oosten — TWEEDE FRAGMENT.
Lengua
neerlandés
Época
Barroco
Sala
La Biblioteca
Identificador
ws-nl-het-daghet-uyt-den-oosten-tweede-fragment--gerbrand-adriaensz-bredero-2488a3
Cita recomendada
Gerbrand Adriaensz. Bredero, «Het daghet uyt den Oosten — TWEEDE FRAGMENT.», Poetósfera, poetosfera.com/p/ws-nl-het-daghet-uyt-den-oosten-tweede-fragment--gerbrand-adriaensz-bredero-2488a3.html

Las obras de dominio público se reproducen íntegras, con atribución y en la ortografía de su impreso. ¿Ves una errata o conoces una fuente mejor? Escríbenos desde Sobre la casa.