Hier en zietmen niet verschynen
Als den Haas, Hond, en Konynen,
Als den Luypaard, Leeuw, en Stier,
Als den Egel, Das, en Gier;
Als de Brakken, snelle Winden,
Als de Harten, Reên, en Hinden,
Als de Paau, en schoon Phasant,
Die daar zwieren ’t allen kant:
Niet en vliegt ’er door de wolken,
Noch en duikter in d’aards kolken,
Of het komt hier al by een
Zoo gelyk ’t voor Noë verscheen.