Beschouwer, zoek hier niet dat oog vol gloed en leven,
Dien mond vol redenklacht en zachte toovery,
Die me eens by ’t dichtenchoor mijne eerplaats heeft gegeven:
De strengheid van mijn lot, zoo drukkende als verheven,
Heeft wat mijn uchtend sierde op een maal verdreven,
Hetzelfde hart alleen bleef me in deez’ avond by.