.mw-parser-output .ws-initiaal-laag{text-indent:0}.mw-parser-output .ws-initiaal-binnen{line-height:1em;font-size:3em;margin:0em 0.1em 0em 0em}.mw-parser-output .ws-initiaal-laag{float:left}Voor schatten is uw heil
Niet veil,
Door woorden niet te melden;
ô Krekel, die, op d’ eikenbast,
U met een luttel daauw vergast,
En huppelt door de velden!
Waar gij, op akkers, graan
Ziet staan,
In voren, zaadjens schieten;
Voor u is ’t, dat het koren wast;
En wat de boer in schuren tast,
Gij moogt het al genieten.
De noeste boer besteedt
Zijn zweet
Voor u, voor uw genoegen:
En als uw zuizen hem vermaakt,
De vorsch rikkikt, de eendtjen kwaakt,
Vergeet hij al zijn zwoegen.
Gij zijt geen haatlijk leed-
profeet,
Als duizend onweêrkraaiers;
Maar, zomerboô, maar zongezant
Bevestigt ge aan ’t bezwangerd land
De onzeekre hoop des zaaiers.
Gij draagt de gunst der Min-
godin;
Der Heliconiaden;
Apol verleende u den snuit
Een zoet en zangerig geluid,
waar aan geen jaren schaden.
En matig, en benij-
dingvrij;
In altijd vrolijk zingen;
Bereikt ge, ô kleen en bloedloos dier,
Den staat der hooge Goden schier,
En spot met stervelingen.